ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 1,051 - 1,100 1,422 resultaten gevonden
Snijbeitel (m.)
Handwerktuig waarmee de lederbewerker decoratieve vormpjes uit het leder snijdt. Het is een stalen beitel (ca. 10-15 cm lang) zonder hecht met een getand of gegolfd blad dat plat en breed uitlopend, halfcirkelvormig of cirkelvormig (vgl. holpijp) kan zijn.  Men plaatst de snijbeitel op het leder en slaat erop met een hamer; het gewenste vormpje wordt in het leder uitgesneden. [MOT]
Snijkruishout (o.)
Kruishout waarvan het puntje vervangen is door een opening (ca. 0,8 bij 0,8 cm) waarin een mesje met een wigje wordt opgespannen. Het dient om fineerplaten in stroken (z.g. biezen) te snijden die nadien als inlegwerk of marquetterie worden gebruikt. Soms is het mesje voorzien van tanden om het hout niet te scheuren (vgl. fineerzaag). Het snijkruishout wordt met behulp van een biezenplank gebruikt. Deze bestaat uit een plank van ca. 60 cm bij 15 cm waarop een aanslag, strook fineer van ca. 2,5 cm breed, langs de rand van de langste en de kortste zijde wordt gekleefd, die een hoek van 90° of 120° vormen. De fineerplaat wordt tegen de 2 aanslagen van de biezenplank gelegd. De breedte van de biezen plus de breedte van de aanslag wordt op het kruishout ingesteld die nadien langs de rand van de biezenplank glijdt. Het mesje snijdt dan de fineerplaat in stroken. In plaats van een voorsnijmes op hun bossingschaaf te plaatsen, snijden sommige vaklui liever het hout met een snijkruishout (1). [MOT]...
Snijmes (tegelbakker) (o.)
Met zijn snijmes steekt de tegelbakker de overtollige klei af rond de tegelvorm. Het handwerktuig bestaat uit een dun rechthoekig trapeziumvormig ijzeren blad, bovenaan de korte zijde voorzien van een cilindrisch houten handvat. De snede is steeds langer dan de vorm. Het snijmes wordt niet al snijdend gebruikt, maar wordt langs de zijkant van de tegelvorm schuin naar voren en naar beneden geduwd. [EMABB]
Snijmolentje (o.)
Met een snijmolentje kan men kruiden zoals peterselie, munt enz. fijn malen (1). Meestal bestaat het uit een vultrechter met een gleufjesbodem en een rechte steel. In de gleufjes draait een as - met vier rijen tandjes die loodrecht op elkaar staan - die met een draaizwengel in beweging wordt gebracht. Er bestaat ook een model met een rond recipiënt en een rasp als bodem. Twee U-vormig gebogen mesjes of twee schoepjes met omgebogen tanden, die met een draaizwengel in beweging worden gebracht, duwen de kruiden doorheen de bodem. Zie ook snijroller (groente-). [MOT] (1) Volgens CAMPBELL: 79 kan je er ook knoflook en ui zeer fijn mee malen.
Snijpasser (glas) (m.)
Werktuig waarmee men een rond gat uit glas kan snijden. Het bestaat uit een snijwieltje dat in een verstelbare houder zit. Die laatste is bevestigd aan een arm (ca. 10-30 cm) die rond een zuignap draait. De snijpasser wordt met de zuignap in het midden van het te snijden gat geplaatst, de juiste straal wordt ingesteld en in één doorgaande beweging kan de cirkel gesneden worden. Zie ook glassnijder en peilglassnijder. [MOT]
Snijpasser (hout) (m.)
De snijpasser dient om schijven of ringen uit leer te snijden, bv. voor pompkleppen, dichtingen of aansluitingen van een naafbus. Ook een fineerblad kan zo bewerkt worden. Sommige kuipers boren er wel eens een spongat of een als greep dienend gat in een tobbe mee (1) omdat het werktuig het hout niet doet barsten. De snijpasser bestaat uit een verticaal metalen staafje van ca. 10-15 cm met een kruk van ca. 10 cm aan een uiteinde en een punt aan het ander. In een door het staafje geboord gat glijdt een tweede, aan een uiteinde haaks gebogen staafje van 15-20 cm, dat vastgezet kan worden door een wig of een schroef. Dat gebogen stuk snijdt aan één of beide zijde(n). Om gaten te maken in hout gebruikt men een snijpasser met schroef in plaats van een punt. De vakman vat de kruk, plaatst de punt in het midden van de schijf of in een vooraf geboord gat en doet het werktuig draaien. Daar het mesje verstelbaar is, kan het werktuig schijven van verschillende diameter uitsnijden (2). Zie ook sponzaag....
Snijroller (groente-) (m.)
Keukengerei met snijwieltjes waarmee men peterselie, munt, uien, enz. op een snijplank fijn kan snijden (zie ook snijmolentje). Eén model bestaat uit één of twee reeksen metalen snijwieltjes (ca. 3-4 cm doorsnede) en een recht handvat bovenaan.  Een ander model heeft een reeks grotere snijwieltjes (ca. 8 cm doorsnede) rond een as, die in een plastic kap bevestigd is. Met deze snijroller kan ook groente, vlees, vis, fruit, noten, e.d. fijn gesneden worden. Wanneer de as uitgetrokken wordt, kunnen de snijwieltjes uit de kap genomen worden om ze af te wassen. Bij sommige van deze laatste modellen kan de roller vervangen worden door een andere met breed getande snijwieltjes. Wanneer men daarmee over een lapje vlees rolt, worden zelfs de fijnste vezels doorgesneden (zie ook vleesvermalser (hand)). [MOT]
Snijvorm (tegelbakker) (m.)
Hardhouten (bv. eiken) snijmal voorzien van ijzeren randen om slijtage tegen te gaan. Het houten gedeelte is aan de onderzijde licht uitgehold (een paar millimeter) tot op enige centimeters van de randen opdat de snijvorm steeds vlak op de te snijden kleiplaat komt te liggen die gevormd werd in de tegelvorm en na een eerste droging, voldoende gekrompen zal zijn om ze op het juiste formaat te snijden. Zie ook snijvorm voor ventilatiepan. [EMABB]
Snijvorm voor ventilatiepan / Snijvorm voor duivenpan (m.)
Houten, vlakke snijmal aan de bovenkant voorzien van een klein houten blokje als handvat. De pannenbakker gebruikt deze mal om de juiste vorm en oppervlakte uit een kleiplaat te snijden. Vervolgens maakt hij hiermee het kapje van een ventilate- of duivenpan. In tegenstelling tot de snijvorm van de tegelbakker (zie snijvorm (tegelbakker)) wordt deze mal niet voorzien van metalen randen om slijtage tegen te gaan. Dat is niet nodig daar de productie van ventilatie- en duivenpannen eerder klein is. Zie ook vorm voor ventilatiepan. [EMABB]
Snoeibeitel (m.)
De snoeibeitel dient om hoogstammige bomen te snoeien. Hij bestaat uit een metalen trapezium of half-cirkelvormig blad met een dille in hetzelfde vlak, op een lange (1) schacht gestoken. De zijde tegenover de schacht is scherp. De snoeier staat aan de voet van de boom, plaatst het ijzer tegen de tak en slaat met een houten hamer op het uiteinde van de schacht. Soms steekt hij de tak af door een asgerichte beweging. Sommige modellen hebben een zijdelingse haak waarvan de binnenzijde scherp is. Daarmee kan al trekkend gesneden worden en kunnen de losse takken neergetrokken worden. Hetzelfde kan gedaan worden met het, weinig courant, S-vormig model. Soms beschikt de snoeier over een stel snoeibeitels of ten minste over een stel schachten zodat hij tot acht meter hoog kan werken (2). De snoeibeitel wordt nu ook steeds meer gebruikt om de vruchten van de cacaoboom te oogsten. [MOT] (1) Snoeien met een beitel op kort hecht (WITTEWALL: 38) schijnt zeldzaam te zijn. (2) Opgetekend bij J. Schuddings,...
Snoeimes (o.)
Het snoeimes dient tot het snoeien van heesters, jonge bomen en wijnstokken. Het is een mes met meestal gebogen snede, waarvan het 8 tot 15 cm lang blad vast of vouwbaar is. In het eerste geval is het blad op het hecht door middel van een angel bevestigd of steekt het in een spleet. In het tweede geval draait het rond een spil en wordt het mes door een veer opengehouden; modellen zonder enig middel om het blad tegen te houden komen zelden voor. Wanneer de snede recht is, staat ze dikwijls schuin tegenover het hecht (1). Het van hout, hertshoorn (2) of been (3) gemaakt hecht is vaak gebogen om een beter houvast te bieden (4); met het snoeimes wordt immers al trekkend gesneden, doorgaans met de punt naar boven (5). Het Turks snoeimes is getand als een zaag en wordt uitsluitend gebruikt om wijnstokken te snoeien (6). Het snoeimes is nu meestal vervangen door de snoeischaar, die sneller werkt maar minder gladde wonden nalaat. Het wordt door sommige mandenmakers gebruikt in plaats van het...
Snoeischaar (v.)
De snoeischaar dient om heesters en wijnstokken te snoeien, om bloemen te plukken enz. Thans vervangt ze meestal het snoeimes. Ze wordt door de mandenmaker vaak gebruikt in plaats van het krommes om de tenen door te knippen. Het handwerktuig bestaat uit twee hefbomen van de eerste soort, die rond een op ca. een derde van hun lengte geplaatste spil draaien. De armen van ca. 15 cm zijn recht of enigszins naar buiten gebogen. Om het werktuig toe te houden wanneer het niet gebruikt wordt, is een metalen haak of een lederen ring op het uiteinde van een arm bevestigd; op recente modellen zijn die soms vervangen door een pal naast de draaispil. Tijdens het werk springt de schaar open dank zij een veer. De twee gebogen bladen van ca. 5 cm liggen in hetzelfde vlak als de armen (vgl. doornhaagschaar). Een ervan is thans doorgaans dik en stomp; de tuinier moet er steeds voor zorgen dat het snijdend blad aan de zijde van de stam is om een gladde snede te bekomen. Op sommige recente modellen maakt...
Snoeitang (v.)
De tuinier knipt soms dunne takjes met een snoeitang. De bovenste kaak is de snijdende kaak en heeft een scherp snijvlak. Ze rust op de bredere onderste kaak, die bekleed is met een zachtere koperlegering om het snijvlak niet te beschadigen. Deze tang is minder geschikt dan de echte snoeischaar met twee snijdende vlakken, aangezien men de takken gedeeltelijk verplettert in plaats van ze langs beide zijden af te snijden. Dit levert een brokkelige wonde op die moeilijker herstelt. Men kan de tang sluiten met een haakje, zodat men ze veilig op zak kan steken. [MOT]
Snoeizaag (v.)
Deze benaming duidt een aantal zagen aan om bomen te snoeien. De twee hoofdvormen zijn de zaag met stijf blad en de beugelzaag (zie glossarium). De eerste kan in een recht of gebogen hecht of in een pistoolkolf steken. Haar blad is puntig en smal (ca. 4-6/20-40 cm), soms enigszins gebogen. Het kan vouwbaar zijn; het werktuig gelijkt dan sterk op de mijnwerkerszaag. Een haakje op het uiteinde maakt het soms mogelijk een doorgezaagde tak naar zich toe te trekken. Het is een licht werktuig (150-250 gr.). Sommige snoeizagen die op een handzaag gelijken, hebben een tweesnijdend blad. De tanden hebben dan aan een verschillende vorm om groen en droog hout te kunnen zagen. Wanneer het zaagblad gespannen is door een beugel, is deze laatste minder hoog aan het uiteinde om niet aan de takken te haperen. Het blad is smal (1-1,5 cm). De tanden zijn altijd tamelijk groot en worden breed gezet (zie glossarium) vermits groen hout gezaagd wordt. Ze werken doorgaans bij het trekken, ook eens bij het duwen...
Snorrenborstel (m.)
Het borsteltje voor snorharen kan diverse vormen en formaten aannemen. Een klassiek model, dat vaak deel uitmaakte van verzorgingssets, is zo'n 5 tot 7 cm lang. Het ovalen borstellichaam is meestal van been of hoorn vervaardigd, in combinatie met zachte zijden haren. Dergelijke snorrenborstel gelijkt sterk op andere borstels voor lichaamsverzorging en opschik zoals die om vingernagels te reinigen. Hedendaagse borstels om snor en baard te doen glanzen, bestaan eerder uit hout en everzwijnhaar. [MOT]
Snuiter (m.)
"De pit van een kaars is gedrenkt in stoffen zoals borax, waardoor het ombuigen van de pit in de vlam bevorderd en nagloeien voorkomen wordt. Het ombuigen van de pit is noodzakelijk, omdat deze buiten de zoom van de vlam komend verbrandt en zodoende op een constante lengte blijft. Vroeger moest de pit voortdurend afgeknipt (gesnoten) worden. Een te lange pit geeft een roetende vlam." (1) Met een snuiter knijpt en knipt men de verbrande pit van een kaars of olielamp af opdat ze minder zou roken. Het is een schaar (ca. 12-16 cm) waarvan, meestal, beide bladen halfcirkelvormig zijn en één een opstaande rand heeft zodat het een gesloten doosje vormt. De afgeknipte pit belandt veilig in het bakje zonder brandgevaar. De oudere modellen hebben één halfcirkelvormig blad waarmee enkel wordt geknipt. Nadien wordt het stukje pit, op de grond, uitgedoofd. Soms bevindt er zich een pin aan het einde van de bladen van de schaar om de pit te ontkrullen alvorens ze te knippen. Snuiters zijn vaak mooi...
Soldeerklem (v.)
De soldeerklem is een spantuig waarmee de loodgieter bij het solderen twee aan te sluiten buizen in een bepaalde positie stevig vastzet om de handen vrij te hebben om de verbinding te solderen. Naast de twee vaste stelschroeven kan een derde verstelbare schroef langs de gleuven in de armen schuiven om de armen op de gewenste positie te fixeren, zodat ze minimaal in de weg zitten bij het werk. [MOT]
Soldeerkussen (o.)
Metalen schijfje, waarop een kluwen ijzerdraad is bevestigd, die tevens het handvat vormt (1). Het kan met de hand vastgehouden worden of op een driepoot (2) gelegd worden. Een van de operaties om een juweel te vervaardigen is het solderen, d.i. het samenvoegen van twee stukken metaal door er een derde, gesmolten, metaal tussen te laten vloeien, dat na afkoeling zorgt voor een hechte verbinding. Wanneer het werkstuk verhit wordt, zowel aan de bovenzijde als aan de onderzijde, gebruikt de edelsmid het soldeerkussen. De vlam (van de soldeerbrander) geraakt namelijk makkelijk tussen de draden die aldus het maximum aan warmte opslagen en voor een gelijkmatige verhitting zorgen. [MOT] (1) Het kan ook een hergebruik van een spoel zijn. (2) Afbeelding in EDWARDS: 56.
Sondeerijzer (o.)
Ronde of vierkante ijzeren (1) stang (0,80-4 m lang; 1-5 cm dik) eindigend onderaan in een punt en bovenaan in een oog waardoor een stok gestoken wordt dat als handvat dient; bij kleine modellen is het werktuig helemaal van ijzer en T-vormig. “Veelal zijn in de sondeerstaaf op onderlinge afstanden van ongeveer 30 cm, onder een hoek van 45° schuin naar beneden gerichte gaatjes geboord, met een wijdte van ongeveer 8 mm. Bij het uittrekken van de staaf worden deze gaatjes, vooral wanneer de grond nat is, gevuld met grond, zoodat met behulp van de sondeerstaaf dan tevens op afstanden van 30 cm eenvoudige grondmonsters kunnen worden verkregen.” (2) Bij bouw- en dijkwerken wordt het werktuig in de grond gedrukt of geslagen om de bodemgesteldheid en de dikte van de lagen te bepalen. “Uit den weerstand, welke hierbij wordt ondervonden, kan een, zij het eenigszins oppervlakkig denkbeeld worden verkregen van het draagvermogen van den grond en van den aard en van de vastheid van de door het ijzer...
Spaakschaaf (v.)
Ondanks haar naam is de spaakschaaf geen schaaf. Het is een kort stuk hout van ca. 30-40 cm waarop in het midden een ermee evenwijdig lopend scherp blad bevestigd is (vgl. trekschaaf). De afstand tussen blad en hout kan door middel van twee punten of twee schroeven geregeld worden. Het blad is recht of bolrond. De vakman vat de uiteinden met beide handen en trekt het werktuig naar zich toe. Het werkt dus zoals een trekmes (zie glossarium) maar het wordt vooral gebruikt om een stuk glad te snijden (1), terwijl het trekmes ook tot het uitsnijden dient. [MOT] (1) Te vergelijken met de rohkel van de Lappen (MANKER: 191).
Spaaksleutel (m.)
Een spaaksleutel wordt gebruikt - tijdens de montage, het onderhoud of de reparatie van spaakwielen op een fiets- of motorrijtuig - om de spanning van de spaken aan te passen. Dat doe je door de nippels van de spaken aan te draaien. Zo bekom je een perfect cirkelvormige velg die concentrisch is met de rijwielas en lateraal in één vlak ligt. Er bestaat een grote variatie aan modellen maar allen hebben ze in doorsnede een vierkantige uitsparing. Veelal zijn het meervoudige modellen, geschikt voor verschillende maten van spaken, met een cirkelvormig werkend deel. Een enkelvoudig model gelijkt sterk op de pijpvormige sleutel voor rolschaatsen (1). Deze kan ook in een viervoudige vorm bestaan, bv. model Nr.258 uit catalogus. Een ander model heeft een kleine uitsparing zodat het via de spaak over de nippel kan geschoven worden (zie model Nr 259 uit catalogus). Er bestaan ook verstelbare modellen (zie model Nr.261 uit catalogus). [MOT] (1) Zie Tech-term: 20.29a: enkelvoudige spaaksleutel met...
Spaanderhouder (m.)
Om te verlichten, gebruikt men vaak harshoudende spaanders, "stukken fossiel hout dat in de venen wordt gegraven" (1) of biezen (2). Ze worden in een metalen houder bevestigd. De spaander wordt doorgaans geklemd m.b.v. een of twee veren (bv. MOT V 94.0218 S) of in een tang met tegengewicht (3). Er bestaan zeer verschillende toepassingen van die algemene principes (4). Het uiteinde van de spaanderhouder wordt gedreven in een houten staander, in een balk van het huis of in een spleet in de muur, soms is het op een ijzeren staander gesmeed of is het voorzien van een dille om op een stok te steken (5). Men klemde wel eens een kaars in de spaanderhouder maar er bestonden ook combinaties: op dezelfde houder werd een klemmiddel voorzien én een kaarsenhouder (6) . [MOT] (1) PLETTENBURG: 12. (2) “Het meest geschikt hiervoor was pit-rus (Lat. Juncus effusus).” (PLETTENBURG: 15). (3) Zie afbeeldingen 11 en 12 uit LECOCQ: 277. (4) Zie afbeeldingen uit LECOCQ: 277-284. (5) Zie afbeeldingen 10, 15...
Spaarbord (o.)
De stukadoor schept een hoeveelheid mortel uit de kuip op het spaarbord (1) en brengt de mortel daarna aan op muren en/of plafonds. Het spaarbord kan van verschillende grootte, - van ca. 15 cm bij 15 cm met twee aansluitende opstaande randen van 2,5 cm tot een grootte van 40 cm bij 48 cm met twee aansluitende opstaande randen van 1 cm -, en van verschillend materiaal (zink, plaatijzer, hout of multiplex) zijn. Het kleine spaarbord is voorzien van een rond handvat van ongeveer 11 cm lang en een diameter van ca. 3 cm. Bij het grotere spaarbord is het handvat onder het blad vastgemaakt, maar niet precies in het midden van het spaarbord, zodanig dat een deel van het gewicht op de onderarm van de stukadoor kan rusten. Het spaarbord met kniesteun is ongeveer 30 cm bij 50 cm en heeft hogere randen (ca. 25 cm) dan de twee vorige modellen. De kniesteun is een houten lat van ongeveer 50 cm lang en aan het uiteinde voorzien van een holle uitsparing voor de knie. Dat spaarbord, met meer mortel, plaatst...
Spade (holle) (v.)
Bij drainagewerken wordt de sleuf soms enkel met een tuinspade en een steekspade gegraven. Om het graafwerk te beperken wordt voor de laatste steek echter meestal een holle spade gebruikt die net iets breder is dan de gebakken draineerbuizen. Deze laatste worden dan met een leghaak in de sleuf geplaatst. De witloofteler gebruikt een holle spade om de warmwaterbuizen van het verwarmingssysteem (thermosiphon) in te graven. Het werkend deel van de holle spade is zo'n 60 cm lang en onderaan zo'n 8 cm breed. De steel is zo'n 75 cm lang en eindigt in een D-, T- of bolhandvat, al komt de rechte steel zonder handvat ook voor (1). De snede is rond. "De wegruiming wordt voleindigt by middel eener holle en zeer lange spade… Men maekt nog met die spade twee zydelingsche insnydingen voor dat men de aerde wegneemt; men regelt de schuinte van den steel zoodanig, dat men slechts op den bodem eene breedte overhoudt gelyk aen de buizen…"(2). [MOT] (1) ''Larouse agricole'':s.v. drainage. (2) LECLERC in...
Spadevorm (m.)
Hulpmiddel dat de smid gebruikt bij het smeden van sommige spaden en schoppen, gemaakt uit twee stukken ijzer. De twee stukken worden aan elkaar gesmeed en er wordt met de voorhamer vanuit het midden, waar een verdikking blijft, gewerkt naar de kanten toe voor het uitsmeden. Nadien worden de rug en het blad opgewerkt en de dille, die hier in de spade loopt, wordt met behulp van de spadevorm uitgezet (1). De spadevorm bestaat uit een stalen staaf (diam. ca. 3,5cm) die aan het uiteinde in de vorm van een driehoek is uitgesmeed en naar de zijkanten toe dun uitloopt. Het is deze vorm die de dille van de spade gaat aannemen. De onderzijde van de driehoek is vlak, de bovenzijde bol. [MOT] (1) VAN DONGEN: 210.
Spaghettilepel (m.)
Houten, roestvrijstalen of plastic lepel met lange steel (ca. 25 cm) en 8-10 stompe tanden (ca. 2-3 cm) om spaghetti uit het kokende water te nemen en te laten uitlekken. Sommige modellen zijn voorzien van een opening in het midden van de lepel. Men steekt de spaghettilepel in de pan van de pas gekookte spaghetti en draait er mee rond zodat de tanden de slierten spaghetti meenemen. Haal het geheel boven de pan om het te laten uitlekken. Zie ook spaghettitang die wordt gebruikt nadat de spaghetti in een vergiet is uitgelekt. [MOT]
Spaghettitang (v.)
Met deze tang grijpt men de spaghetti uit de kom om ze op de borden te scheppen. De kaken zijn breed en getand om de bovenste laag spaghetti te vatten. Wanneer men te diep grijpt, is de spaghetti moeilijk te vatten of neemt men teveel ineens mee. De kaken staan licht schuin op de as zodat men makkelijk in de kom kan en toch de volle breedte van de kaken kan benutten. Zie ook spaghettilepel. [MOT]
Spakentrekker (m.)
Wanneer de spaken in de naaf gedreven zijn, moeten ze in de velgen gestoken worden. Omdat ze niet evenwijdig lopen, is de afstand tussen hun uiteinden groter dan de afstand tussen de overeenkomstige pengaten in de velg. Om de spaken samen te trekken, wordt de spakentrekker aangewend (1). Twee vormen met hefbomen kunnen van elkaar onderscheiden worden: de spakentrekker met één en die met twee hefbomen. In beide gevallen gaat het om hefbomen van de tweede soort. Het eerste kan een ketting met een zware haak aan een uiteinde zijn. De hefboom, een metalen staaf met een haakje aan een uiteinde, wordt door een schakel gestoken. Het kan ook een houten stang zijn waar, op ca. 15 cm van het uiteinde, een zware haak aan vastgemaakt is, zodat hij kan draaien (2). De haak wordt achter een spaak geplaatst. De stang of de staaf, die achter de volgende spaak gestoken wordt, wordt naar de haak geduwd. De tweede vorm bestaat uit twee stangen verbonden door een ring (3) of een touw (4). Aan de binnenzijde...
Spantang (v.)
De kunstschilder of de lijstenmaker spant het schildersdoek op met een spantang. Ook de huisschilder gebruikt dat werktuig, maar dan om doek op een balklaag aan te brengen (1). De kaken ervan zijn breed en geribd aan de binnenzijde voor een betere grip op het doek; één of beide zijn dikker om als hamer te dienen. Men trekt het doek aan met de tang en houdt het tegen met de linkerhand. Men opent de tang en gebruikt de hamer van de kaak om de spijkers in te slaan. In die zin lijkt de spantang op de zwiktang van de schoenmaker. Anderzijds is de spantang ook verwant met de singeltang van de stoffeerder. De singeltang is meestal zwaarder dan de spantang, aangezien men er meer kracht moet mee uitoefenen, wanneer men de singels of banden onderaan de zetels aanspant. [MOT] (1) Bv. MEERE: 76.
Spatbordponstang (v.)
De fietsenmaker gebruikt een spatbordponstang om gaten te ponsen in een spatbord. Het is een speciale metaalponstang waarbij één van de kaken rond en uitgehold is zodat er plaats is voor de kromming van het spatbord. Zo is het mogelijk om gaatjes te ponsen op enige afstand van de rand zonder het spatbord te moeten draaien. Een bek is voorzien van een verwisselbare hippel of stalen cilindervormige pen (diam. ca. 4-6 mm), de andere van een holle cilinder met overeenstemmende diameter. De hippel is aan de onderkant schuin afgesneden zodat hij op één punt begint te snijden. De tang zelf kan voorzien zijn van een spil of van een dubbele hefboom. Op sommige modellen zorgt een veer voor het automatisch opengaan van de tang; een ring die rond de tweede arm glijdt, houdt de tang dicht. [MOT]
Spatel voor grondboor (v.)
Zware spatel om de grond uit het werkend deel van een grondboor te verwijderen. Zij heeft een kort (ca. 15 cm) plat gebogen blad, bevestigd aan een recht houten hecht. Zie ook grondboorsleutel. [MOT]
Spatel voor smout (v.)
De spatel voor smout bestaat uit een houten spatel waarvan het uiteinde een afgeplat tongvormig blad (ca. 12 cm bij 6 cm) vormt. Na het uitsmelten van de reuzel in een ronde ketel en het persen met een vetpers, wordt het zuivere vet in een ketel of aarden pot afgekoeld door het in een bak met stromend koud water te plaatsen. Tijdens het afkoelen wordt de langs de wanden vast gezette reuzel met de houten spatel afgestoken en omgeroerd met de nog warme reuzel tot deze geheel gestold is. "Het goed afkoelen en roeren van reuzel is van zeer groot belang: wordt deze snel afgekoeld en degelijk geroerd, dan is de reuzel zeer blank, smijig, vettig, vast en goed bestand tegen de warmte." (1). Zie ook keukenspatel. [MOT] (1) Uit VINCK: 466.
Spatmolen (m.)
De spatmolen is een handwerktuig om een ruwe textuurlaag op een muur aan te brengen, bv. verf, pleister, crepi, stucwerk (1). Dit kan gebeuren om van een zeer ruwe kapotte muur een gelijkmatige wand te maken of om een voorbereidende reliëflaag op een vlakke muur aan te brengen.  In het recipiënt van plaatstaal wordt door een draaizwengel een vervangbare ronde borstel geroteerd. De uiteinden van de borstel uit kunststof of dun metaal worden tegengehouden en komen bruusk weer los zodat de specie in talloze deeltjes uit het gat spat. De talrijke puntjes die op de muur verspreid worden, zorgen voor een goede hechting van latere verflagen. Op sommige modellen is de snelheid verstelbaar met een hendel aan de buitenkant. Soms is een kniesteun voorzien om het werk te verlichten, zoals bij een spaarbord. Zie ook de verfmolen. [MOT] (1) In andere talen spreekt men over een Tiroolse laag, vandaar het Franse tyrolienne en het Engelse Tyrolean machine.
Speculaasvorm (m.)
Houten plank waar één of meerdere figuren - zoals een drinkebroer, nar, Sint-Nicolaas, enz. - zijn uitgesneden. De afmetingen variëren van 10 tot 75 cm. Eerst wordt de speculaasvorm met rijstebloem bestrooid of met olie bestreken om nadien het deeg, van respectievelijk de speculaas of de taai-taai (1), stevig in de vorm te drukken, af te snijden en uit te kloppen om het te kunnen bakken in de oven. [MOT] (1) taai-taai: soort van bruine, zeer taaie koek van roggemeel en stroop, gebakken in de vorm van speculaas, en vaak aan de bovenkant geglansd. (V.D.).
Speculum (o.)
Bij een medisch onderzoek kan de arts bepaalde lichaamsholtes openhouden met een speculum. De kaken van deze tang zijn aangepast aan de vorm van de holte. Bij het speculum voor de neusgaten bijvoorbeeld vertrekken de kaken vrij breed en versmallen op het einde, aangezien de neus bovenaan smaller is. Men opent de tang wanneer men de armen samendrukt. De tang kan in elke stand geblokkeerd worden d.m.v. een ring die over de armen schuift. De armen zijn aan de buitenzijde getand zodat men de ring op de gewenste stand kan vastzetten. Er bestaan ook speculums voor het onderzoeken van keel, oor, endeldarm en vagina. [MOT]
Spijkerlichter (m.)
Handwerktuig dat de schoenmaker en de stoffeerder gebruiken om spijkers uit te trekken. Het is een kleine (ca. 20 cm lang) koevoet die in een houten hecht steekt. [MOT]
Spijkertang (bontwerker) (v.)
Tang (ca. 20-30 cm lang) met lange (ca. 8-10 cm), platte, dwars gegroefde kaken, waarvan één aan de buitenzijde gearceerd is. Meestal is één arm recht en de andere gebogen. De bontwerker gebruikt de tang om het bont glad te trekken en vast te spijkeren, om het te laten drogen. Zij wordt in de rechterhand gehouden terwijl het bont met de linkerhand aangetrokken wordt; vervolgens wordt het aan de rand vastgepakt met de tang en wordt er een spijker op geplaatst, die in het bord geslagen wordt door er met de gearceerde onderkant van de kaak een zachte tik op te geven. Zie ook spantang en singeltang. [MOT]
Spinhekel (m.)
Met de spinhekel worden de vezels van o.a. vlas een laatste keer gekamd juist voor ze gesponnen worden. De spinhekel bevat honderden tot duizenden dicht bijeen staande fijne ijzeren of koperen pinnen (ca. 4-9 cm) op een rond, vierkant of rechthoekig blok. Dat blok of kussen - mogelijk bekleed met een ijzeren (soms koperen) plaat - is gemonteerd op een horizontale plank die men op haar beurt in een hekelstoel kan bevestigen (Bv. PESCH: 190). Hiervoor is de plank, die soms smaller is daar waar het blok staat, op haar uiteinde voorzien van een gleuf of een rechthoekig of rond gat. Men kan de plank ook verticaal tussen de benen plaatsen. Zie ook de zuiverhekel. [MOT]
Spintol (schoenmaker) (m.)
Bij naaiwerk met draadgaren gebruikten leerbewerkers zoals de schoenmaker soms een spintol om de draad te twijnen op het dijbeen vooraleer het garen in het leer te naaien met behulp van het naaispan. Het monoxiele handwerktuig in hardhout is nauw verwant aan de spil zoals die in talrijke varianten bestaat om wol te spinnen. Het bestaat uit een haakje, vaak een gekromde nagel, aan het uiteinde van een conisch houten blok. Het handvat is naar verhouding licht en kort (ca. 15 cm). De vakman steekt enkele draden door het haakje en vouwt ze dubbel toe. Vervolgens laat hij de tol hangen en om haar as draaien. De schoenmaker maakte de draden vettig met pek (1). [MOT] (1) BOUCARD D., Dictionnaire des outils et instruments pour la plupart des métiers, 2006: 685.
Spiraalklopper (m.)
Keukengerei dat bestaat uit een in spiraal gedraaide draad en een recht hecht, waarmee eiwit kan geklopt worden. De vorm van de spiraal kan sterk variëren; ze kan o.a. peervormig of conisch zijn. Deze modellen bewegen in principe op en neer in plaats van te draaien zoals een garde; al 'verend' maken ze het eiwit stijf. Zie ook eierklopper. [MOT]
Spiraalsnijder (m.)
Met een spiraalsnijder kan men groenten of fruit in spiraalvorm snijden. Het is een plastic of metalen handwerktuig met een schroefvormige boor, haaks aan het uiteinde van een snijdend gedeelte dat eindigt in een ring. De boor duwt men lichtjes in de groente of het stuk fruit, de wijsvinger wordt in de ring gehaakt en vervolgens draait men het werktuig rond. Het snijdend gedeelte zal nu het fruit of de groente in een spiraal uitsnijden. [MOT]
Spitgreep (m.)
De spitgreep (1) is een handwerktuig met - meestal vier (2) - brede, platte of in doorsnede driehoekige tanden. Werkend deel en een T-, D- of knopsteel (ca. 80-100 cm) zijn d.m.v. een angel - verstevigd door een beslaghuls -, een dille of twee veren aan elkaar bevestigd. De punten van de, licht naar voor gebogen, tanden zijn beitelvormig of puntig. Het "blad" loopt naar onder toe breder uit. Een ander model heeft bovenaan het blad een brede band om de kluiten makkelijker te dragen en om te draaien. Een spitgreep wordt gebruikt om steenachtige of sterk samenhangende (klei-)grond te bewerken (3) of te verkruimelen en om mest onder te spitten. In de (moes)tuin worden, in tegenstelling tot de tuinspade, met de spitgreep bij het verplanten de wortels van de plant minder beschadigd. Om dezelfde reden geeft de tuinier ook de voorkeur aan dit werktuig om slingerplanten en struiken uit te steken. Een iets bredere en langere spitgreep wordt als aardappelrooivork gebruikt. Zie ook spitgreepje (4)....
Spitgreepje (o.)
Kleine en lichte spitgreep om in de tuin de grond te verkruimelen rond bomen en struiken. Hij is ook geschikt voor het werken in de borders, perken en plantenbakken. Terreinverzorgers van sportgrasvelden gebruiken dergelijke vork om het water in vochtige zones van een grasveld te laten indringen door gaten in de grond te prikken om het veld speelbaar te maken. Het werktuig bestaat uit vier gesmede of gestanste tanden met een rechthoekige (1 cm bij 0,2 cm) doorsnede en puntig uiteinde. De tanden kunnen zowel plat in het vlak van het blad liggen als haaks gedraaid (1). In dat laatste geval is het de bedoeling de wortels van de planten nog minder te beschadigen. Werkend deel en een houten T-, D- of knopsteel (ca. 80 cm) zijn d.m.v. een dille aan elkaar bevestigd. Te onderscheiden van het wiedvorkje dat een kortere (ca. 15-20 cm) steel heeft en dus al hurkend wordt gebruikt. [MOT] (1) HUXLEY: 122 toont een model waarvan de tanden in twee verschillende vlakken liggen.
Spitsbeitel (m.)
De spitsbeitel is een V-vormige platte draaiersbeitel met één vouw om een groef uit te draaien. [MOT]
Spitsboor (v.)
De spitsboor wordt gebruikt om kleine geboorde of geponste gaten in een dunne ijzeren plaat bij te ronden of wijder te maken door ze er in rond te draaien. Zij bestaat meestal uit een stalen tweebenige haak met vierkante tot achthoekige (of een combinatie) doorsnede die in een punt eindigen. De spitsboor kan ook een stalen staaf met vierkante tot achthoekige doorsnede zijn, eindigend in een punt en aan het andere uiteinde voorzien van een kruk (ca. 8 cm) (1). Het werktuig wordt vaak door de smid zelf gesmeed uit een afgedankte vijl. Zie ook de ruimer, die wordt gebruikt indien er hogere eisen aan de maatnauwkeurigheid en de oppervlaktegesteldheid van de ijzeren platen worden gesteld. [MOT] (1) SALAMAN 1975: 391; ''Catalogue des outils Goldenberg'': 234.
Splijthoutje (o.)
Het splijthoutje dient om tenen, bramen (Rubus) (1) e.d. in drie of vier te splijten. Het is een rond stukje hout, bv. palmhout (Buxus sempervirens), sleedoorn (Prunus spinosa), metaal, been (2) of ivoor (3) van ca. 5-10 cm (doorsnee 1-10 cm), waarin aan een uiteinde, drie of vier driehoekige inkepingen gesneden zijn zodat er drie of vier sneden ontstaan. Sommige splijthoutjes hebben drie inkepingen aan een uiteinde en vier aan het ander. De mandenmaker neemt de teen in zijn linkerhand en splijt er het uiteinde van over 5-10 cm met zijn krommes. Daarna duwt hij de sneden van het splijthoutje in de spleten zodat de teen over de hele lengte open gaat. Elk stuk heeft een driehoekige doorsnee. Wanneer platte banden bekomen moeten worden, wordt het splijthoutje niet gebruikt. De mandenmaker snijdt dan de twijg in en buigt ze op zijn knie om er een stuk van los te maken (bv. met hazelaar, Corylus avellanus) (4). De hoepelmaker splijt meestal op een stuk hout dat in zijn bank steekt (zie hoepelmakersdissel),...
Splintertang (v.)
Een splinter kan men verwijderen met een splintertang. Dit kleine (ca. 10 cm) pincet kan zonder veel kracht zeer fijne voorwerpen uit de huid trekken. De kaken zijn dun, omdat men zeer precies moet kunnen werken wanneer de splinter net onder de huid zit. Op een van de armen is soms een kort stangetje bevestigd, dat door een gaatje van de andere arm glijdt en dat beide punten op elkaar houdt. De splintertang lijkt sterk op het epileerpincet. Juweliers, uurwerkmakers, elektriciens, tandartsen, geneesheren, filatelisten, drukkers ... gebruiken allen pincetten van verschillende vorm en/of afmetingen. [MOT]
Splitpentrekker (m.)
Naast de splitpentrektang kunnen splitpennen - dit zijn gespleten pennen waarvan de einden, als zij aangebracht zijn, uiteengebogen worden zodat ze niet meer uitvallen - ook uitgetrokken worden met behulp van een splitpentrekker.  Dat is een metalen staafje (ca. 10 cm), vaak gekarteld voor een betere grip, met een haakvormig uiteinde waarvan de diameter varieert naargelang de grootte van de pennen. De haak wordt in het oog van de splitpen gestoken; de splitpentrekker wordt naar beneden geduwd - waarbij de onderkant van de haakvormig uiteinde als steunpunt dient - en de pen wordt uitgetrokken. [MOT]
Splitpentrektang (v.)
Tang om splitpennen - dit zijn aan het vooreinde gespleten pennen waarvan de einden, als zij aangebracht zijn, uiteengebogen worden zodat ze niet meer uitvallen - uit te trekken. Kenmerkend zijn de twee naar binnen of naar buiten gerichte haken op het uiteinde van de kaken. Wanneer de haken naar buiten gericht zijn, wordt één haak in het oog van de pen gestoken en het hele werktuig wordt dan een hefboom; wanneer de haken naar binnen gericht zijn, wordt het oog met de twee haken gevat en wordt de pen uitgetrokken. Splitpennen kunnen ook uitgetrokken worden met een splitpentrekker. Vaak is de splitpentrektang gecombineerd met een andere tang en maakt dan deel uit van een combinatietang.[MOT]
Splitshout, -ijzer (o.)
Om de strengen van een touw uiteen te halen, gebruikt de schieman (1) een splitshout of een splitsijzer (2). Het splitshout is kegelvormig en gemaakt van hard hout, vaak Buxus. Het is zo'n 25-50 cm lang en zo'n 3-5 cm dik; de grote exemplaren, waarop vaak met een hamer geklopt wordt, dragen wel eens een beslagring. Ook het splitsijzer is doorgaans kegelvormig, al dan niet met een verdikking of een haak aan het uiteinde; niet zelden is er een gaatje door het dik uiteinde geboord om het werktuig aan een koordje te kunnen hangen. Het meet zo'n 15 cm. Er bestaan ook gootvormige splitsijzers waarin een streng kan glijden. Voor staalkabel wordt een plat splitsijzer gebruikt, dat soms voorzien is van een haak (3). Op een zeemansknipmes vindt men altijd een dun, vaak licht gebogen splitsijzer. Zie ook zeilpriem. Te onderscheiden van het poothout en het wetstaal. [MOT] (1) "De timmerman doet het ook wel met zijn passer" (DEGROOT: 18). (2) Vgl. mandenmakerspriem. (3) DE BOER & SCHAAP: 73.