ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 901 - 950 1,422 resultaten gevonden
Reddingsmes (o.)
De reddingsmes is een S-of haakvormig (1) mes met de snede aan de binnenzijde en een geknopte punt, dat gebruikt wordt door de brandweerlui, de hulpdiensten, de reddingsploegen bij autowedstrijden, op reddingsvloten enz. om kleren, gordels of touwen open of door te snijden. De snede is aan de binnenzijde en de punt is geknopt om het slachtoffer geen verwondingen te veroorzaken. Vaak steekt het mes in een schede die aan de broekriem vast gemaakt kan worden. Zie ook de noodhamer, de noodgordelsnijder en het koordjesmes. [MOT] (1) SCHAERER: 626.
Reeschaaf (v.)
De reeschaaf (1) (2) is een tot één meter lange schaaf met keerbeitel, een handvat en soms een hoorn. Ze dient om lange, reeds met de voorloper bewerkte stukken volmaakt glad te schaven. Soms worden één of twee dwarsstokken op of in het blok bevestigd om met zijn tweeën te kunnen werken: één vakman duwt, een andere trekt. Soms wordt een touw aan de voorste dwarsstok gebonden. Omdat deze schaaf fijn werk moet verrichten, is de hoek van de beitel tamelijk groot en de ruimte voor de snede klein (zie glossarium). Deze laatste is volkomen recht, alleen de hoeken zijn afgerond om geen sporen na te laten. [MOT] (1) Een kleine reeschaaf, al dan niet met handvat, wordt soms strijkblok (ook donder: DEBO: s.v.) genoemd; JORIS & ROUSSEAU: 7 spreken van een halve of korte reischaaf. (2) Fr.: varlope, galère wanneer er dwarstokken doorsteken (ook plane: FELIBIEN: 714). Op de platen Layettier 1.6 en 2.1 van de Encyclopédie zijn galère en grand rabot echter gelijkbetekenend en duiden ze een schaaf aan...
Reflexhamer (m.)
De reflexhamer is een lichte (ca. 100-200 gr) hamer met rubberen kop in verschillende vormen - kegelvormig, bijlvormig (1), cilindervormig (ca. 1-3 cm in doorsnede) - en een lichte, soms flexibele ijzeren steel. Met een enkel tikje van de reflexhamer tegen de onderkant van de knie ziet de arts of de reflexboog van de patiënt - van pees naar ruggenmerg en weer terug - intact is (2). Te onderscheiden van de nylon hamer die zwaarder (ca. 150-500 gr) is en waarvan de cilindrische kop groter (3-5 cm) is. Zie ook rubberhamer. [MOT] (1) Bv. LIEVERSE & VAN EVERDINGEN & VAN MAANEN: 125-126. (2) Vroeger werd algemeen een percussiehamer gebruikt. Vanaf 1875, toen de kniepeesreflex werd ontdekt, kreeg de percussiehamer het doel van de reflexhamer (VAN HEE & VERSAILLES: 37).
Reinigingsmes voor warmtewisselaar (o.)
Deze nieuwe werktuigfiche is in opbouw. [MOT]
Reisbestek (o.)
Heb je mes en vork nodig voor gebruik op reis, dan is het reisbestek een goede oplossing. Het bestaat uit een mes en een eetvork, die tijdens het vervoer worden samengehouden door ze in elkaar te schuiven, door ze te verbinden met een sluiting of door ze in een etui te steken. In sommige gevallen bestaat er ook de mogelijkheid om een eetlepel op te bergen (1). Zie ook kampeermes en zakmes. [MOT] (1) Bv. ''Richard Abr. Herder stahlwaren- und werkzeugfabrik'': 189.
Remveertang (v.)
De remveertang is een handwerktuig waarmee een garagist de remveer uit de remtrommel haalt en er terug in monteert. De metalen tang is 20-50 cm lang naargelang de benodigde grootte van de remveer in het voertuig. Tijdens de montage wordt de veer aan de ene kant in de korte, oogvormige haak geklikt, de andere kant in de zwanenhalsvormige haak. De scherpe punt grijpt in het remblok (1). Bij grote modellen zijn aan het uiteinde van een of beide benen bijkomende functies voorzien, bv. een uitsteeksel om met een eenvoudige draaibeweging de veer van het ankerpunt los te maken (2). [MOT] (1) Belzer Hochwertige Werkzeuge: Katalog No. 500, 1957: 119. (2) Indestro Tools Catalog No. 22M, Chicago: 51.
Repelkam (m.)
De nog niet droge of rijpe zaadbollen worden met de repelkam van de vlasstengel gerukt door deze tussen de staande tanden van een repelkam te trekken (1). Nadien worden de zaadbollen met de bookhamer gedorst (2). De repelkam bestaat uit een ijzeren kam (ca. 20-70 cm breed) (3) met een 15-40-tal - in doorsnede vierkantige (soms ook ronde) - tanden (1-1,5 cm in doorsnede, ca. 40-50 cm lang) met de ribben dicht naast elkaar (tussenafstand ca. 0,5 cm, d.i. kleiner dan de zaadbol) en eindigend in stompe punten. Deze kam wordt op een houten blok of met een ijzeren onderstel op een bank vastgemaakt. Laatstgenoemde is al dan niet voorzien van poten en wordt door twee arbeiders gebruikt die beurtelings het vlas door de repelkam halen. Hij wordt veelal op het veld gebruikt nadat het vlas is geoogst of gesleten. Na het repelen worden de stengels in bundels, z.g. booten, gebonden en in water gelegd om te roten. Er bestaat ook een tweevoudige repelkam (bv. MOT V 2020.0353) met twee rijen tanden. [MOT]...
Richtsnoer (metselaar) (v.)
Het richtsnoer van de metselaar - een sterk, dun koord (ca. 1 mm) - wordt rond een richtsnoerpen, een puntige metalen pen van ca. 15-20 cm lang met platte punt (ca. 10 cm), gewonden. Het andere uiteinde van de pen heeft meestal de vorm van een paddenstoel zodat het richtsnoer er niet af kan glijden. Twee pennen worden gebruikt om, bij het bouwen, het richtsnoer horizontaal te spannen, waarlangs de stenen worden gemetseld (1). Men zet eerst één pen in een voeg (om de hoek) vast. Het richtsnoer, dat aan het uiteinde van de richtsnoerpen is vastgemaakt, wordt strak getrokken en met de andere pen aan de andere kant vastgezet. Vooraleer men begint te metselen controleert men of het richtsnoer zuiver horizontaal is. Een ander model is gemaakt van plaatijzer. Het bestaat uit een puntige platte pen die aan de zijkant voorzien is van verscheidene inkepingen (2). [MOT] (1) In plaatst van een richtsnoerpen wordt ook wel een spijker gebruikt. Ook wordt de koord wel om twee stenen, aan beide kanten...
Richtsnoer (tuinier) (o.)
Het richtsnoer van de tuinier is een lange, stevige koord (ca. 3-4 mm dik) waarvan één uiteinde wordt vastgemaakt aan een gepunte stok en de rest van het touw rond een (andere) gepunte stok of een haspel wordt gewonden. De haspel bestaat uit een ijzeren of houten pin (ca. 35-60 cm), waarrond een houten of ijzeren raam, al dan niet voorzien van een hendel, draait. Met het richtsnoer kan men een rechte lijn uitspannen zodat de tuinier recht kan spitten, poten, planten, soms ook zaaien of gazon af te steken (zie graskantsteker). [MOT]
Riemensnijder (m.)
Handwerktuig dat gebruikt wordt om riemen (1) uit dik en zwaar leder te snijden. Het bestaat uit een mes dat aan de voorzijde snijdend is en aan de onderzijde twee haakvormige uitsteeksels heeft waarmee het in een metalen - meestal koperen - geleider bevestigd wordt. Deze geleider heeft een arm met een maatverdeling erop waarover een opstaande rand met een rol kan glijden, die met een klemschroef vastgezet wordt. De breedte van het te snijden materiaal kan dus precies ingesteld worden. Men trekt het leder over de arm naar zich toe - tussen mes en opstaande rand - terwijl men het mes vooruit duwt. De voet waarop het mes bevestigd is, is afgerond opdat het makkelijk onder het leder vooruit beweegt. [MOT](1) Bv. schaats- en bindriemen, herengordels, enz. (FRUMAU: 65).
Riementang (v.)
Ronde riemen voor o.a. naaimachines kon men aan elkaar zetten met behulp van een riementang. In beide uiteinden van de riem maakte men een gat, waardoor men ze aan elkaar kon bevestigen met een kram. Op één van de kaken zit een staaf, die het leer doorboort. Op de andere kaak van de riementang zitten haaks twee ringen. Men opent de tang en steekt de riem door de ringen. Men fixeert zo de riem, waarna men de tang sluit en de staaf de riem mooi in het midden doorboort. Men heeft ook de mogelijkheid om de riem door te snijden met het mesje dat op één van de kaken bevestigd is. Wanneer de riem bijvoorbeeld te lang is of wanneer men een nieuwe opening wil maken, kan men het oude uiteinde eerst afsnijden. [MOT]
Riffelrasp (v.) / Riffelvijl (v.)
Riffelraspen en riffelvijlen bestaan in een grote verscheidenheid van vormen, grootten (ca. 12 tot 50 cm) en groften. Meestal hebben beide uiteinden van het werktuig een gebogen werkend deel, maar er bestaan ook modellen met een angel waarop een hecht steekt. De gebogen vorm maakt het mogelijk ingewikkelde profielen en moeilijk te bereiken hoekjes en bochtjes af te werken in hout, steen, gips en metaal. [MOT]
Rijentrekker (hand) (m.)
Zaaien op lijnen is voordelig omdat men zaad bespaart, men met machines kan werken, het onderhoud gemakkelijker is en men makkelijker tussenzaaiingen kan doen. Wanneer uit de hand gewerkt wordt, gebruikt men daarvoor een rijentrekker. Daarmee kan men in een handeling verschillende zaaivoren trekken die evenwijdig aan en op gelijke afstand van elkaar liggen. Vooreerst spant men op de rand van het zaaibed een richtsnoer, die door de laatste tand gevolgd wordt. Daarna steekt men die laatste tand in de eerste groef. De rijentrekker is een houten of ijzeren werktuig, ca. 50-150 cm breed met, al dan niet afneembare en/of verplaatsbare, afgeronde of afgeplatte tanden. Het werkend deel staat haaks op de ca. 100-140 cm lange steel. Nu bestaan er ook modellen waarbij de richting van de balk instelbaar is. Het aantal tanden (lengte ca. 10-20 cm) varieert van twee tot vijf of meer. Soms is de balk aan beide zijden voorzien van vaste tanden die op een verschillende afstand (1) van elkaar staan. Zo...
Rijshaak (m.)
Bij het oogsten van het zware rijshout in hakgrienden (1) gebruikt de griendwerker een rijshaak (2). De loten worden met een opwaartse beweging zo dicht mogelijk bij de stoof afgehakt. De rijshaak bestaat uit een min of meer rechthoekig ijzeren blad (ca. 15-20 cm bij 10-12 cm; gewicht ca. 850 gr) met afgeronde hoeken dat door middel van een angel met een licht gebogen steel (ca. 35 cm) verbonden is; door steel en angel steekt een nagel. De snede en de steel vormen een hoek van ca. 60°. Er bestaan modellen voor linkshandigen en voor rechtshandigen. Terwijl de hakker de tak in de ene hand iets gebogen, onder spanning, vasthoudt wordt met de rijshaak van onder schuin naar boven – hooguit in twee slagen - gehakt. Het hout dat later wordt geschild (zie schilklem) wordt onmiddellijk na het hakken rechtop in zo’n 10-15 cm water geplaatst. Het andere hout wordt gesorteerd en met behulp van een hakmes opgewerkt. Zie ook lattentrekker dat ook wel in de hakgrienden wordt gebruikt om het hout af...
Rijstmesje (o.)
Het rijstmesje is een uiterst licht (ca. 20-60 gr) mesje waarmee in Indonesië de vrouwen rijst oogsten. Het heeft een klein (ca. 5-7 cm bij 1-2 cm) en zeer licht (max. 5 gr), lichtjes bolrond lemmet, aan de bovenzijde gevat in een bamboehouten hecht. Dwars op de bovenzijde van het hecht wordt een bamboestokje - soms aan één zijde puntig gesneden - geplaatst, dat men in de hand vat; zo ligt het mes comfortabeler in de hand. Omdat men met dit mes aar per aar moet oogsten, is het mogelijk in éénzelfde veld de rijpe aren te selecteren en de andere nog even te laten staan. [MOT]
Ringkegel (m.)
Lange (ca. 40 cm), taps toelopende stalen staaf, die de edelsmid gebruikt voor het rondmaken van de schacht van een ring of het rondmaken van een kas voor een zetting. Naast deze ronde vorm zijn er ook ovale en hoekige; ook grotere maten zijn verkrijgbaar voor het maken van bepaalde vormen voor bv. armbanden, medaillons en doosjes. De ringkegel is te onderscheiden van de ringstok, d.i. eveneens een taps toelopende stalen staaf, hol of massief, met een schaalverdeling in cijfers om de maat van een ring vast te stellen. [MOT]
Ringsleutel (m.)
Dit type van moersleutel (zie glossarium) sluit geheel om de moer of kopbout. Hierdoor kan je meer kracht zetten dan met een steeksleutel, die de moer maar op twee hoeken aangrijpt. De ringsleutel heeft een werkend deel in de vorm van een -binnenin- vier-, vijf-, zes- of meerzijdige ring; de naam wordt ook gebruikt wanneer die vorm uit een plaat gedreven werd. Vaak is het werktuig samengesteld uit verschillende werkende delen van verschillende maten; voor heel kleine moeren en bouten bestaan er ook setjes met verscheidene met elkaar verbonden sleutels. Ook komt een combinatie met een steeksleutel, een haaksleutel, een magneetsleutel of een schroevendraaier voor, zelfs een hoefkrabber. Voor kleine moeren kan een ringsleutel gebruikt worden die verstelbaar is door middel van een stelmoer (zie ook fietssleutel (ringsleutel)). Het hecht kan recht, S- of boogvormig zijn. Er bestaat een variante met ratel. Zie kalkoensleutel, open ringsleutel, ringsleutel voor wiel, slagringsleutel, sleutel...
Ringsleutel voor aftappluggen (m.)
Meervoudige ringsleutel waarmee een garagist de aftappluggen voor diverse oliereservoirs uittrekt om vloeistoffen af te tappen. Er zijn zeven werkende delen, vier voor zesvoudige koppen en drie voor vierkante koppen. Men spreekt ook van een cartersleutel, maar dit kan ook duiden op een model van de universele sponsleutel die hetzelfde doel beoogt (1). [MOT] (1) Handelscatalogus Belzer. Outillage de haute qualité en acier au vanadium-extra, 1958: 29.
Ringsleutel voor wiel (m.)
Wanneer een luns het wiel op de as van een kar of een wagen houdt (1), volstaat een hamer om het los te maken. Wanneer het om een moer gaat, gebruikt men meestal een bijzondere vier- of zeskantige ringsleutel. Hij is altijd S-vormig (2) en kan enkel of dubbel zijn. [MOT] (1) De moeren van een autowiel worden met een wielmoersleutel los- of aangedraaid. (2) Zodat de twee werkende delen in twee verschillende vlakken liggen.
Ringzaagtang (v.)
Een ringzaagtang wordt gebruikt om een vastzittende vingerring, die bv. met zeep of een draad niet verwijderd kan worden, door te zagen zonder de huid te beschadigen. Het werktuig bestaat uit twee hefbomen van de eerste soort (zie glossarium) die rond een spil draaien. Een kaak bestaat uit een dun lipje met een groef waarin het zaagblad past. De andere kaak vat het fijngetande zaagblad (diam. ca. 3 cm) dat men door middel van een vleugelmoer kan laten ronddraaien. De armen zijn beiden even lang en licht gebogen of bestaan uit één hecht en een kortere arm. Het lipje wordt tussen ring en vinger gestoken waarna met de ene hand de tang lichtjes wordt dichtgeknepen en met de andere hand het zaagblad gedraaid wordt. Er bestaan ook modellen voor linkshandigen. [MOT]
Ritsbeitel (metaalbewerking) (m.)
Geheel metalen beitel van ca. 20-50 cm lang om ritsen in metaal te hakken, d.i. bijvoorbeeld een smalle groef in een metaalplaat om deze makkelijker te doen breken of in een hoefijzer waar de gaten voor de hoefnagels gedreven zullen worden. De ritsbeitel heeft een vrij smalle snede (ca. 9-13 mm) die onder een hoek van ca. 60° geslepen is. Hierdoor kan je er tot op vrij grote diepte mee werken. Het geheel is meestal rechthoekig in doorsnede. Te onderscheiden van het pelijzer van de steenhouwer. [MOT]
Ritspasser (m.)
De ritspasser dient om - hoofdzakelijk boogvormige - groeven uit te snijden in de nerfzijde van het leer (1). Hij wordt ook gebruikt om de stiknaden, bij riemen, zadels en garelen uit te tekenen. Hij is een V-vormige passer waarvan de twee benen (ca. 15-18 cm) rond een op hun uiteinde geplaatste spil draaien. Het ene been eindigt in een punt en wordt in het middelpunt van de cirkel geplaatst; het andere uiteinde heeft de vorm van een rits (breedte ca. 2 cm). Meestal is er op een been een boog bevestigd waarbij de benen door middel van een schroef kunnen vastgezet worden. Op sommige modellen is het been van de rits voorzien van een houder waar verschillende maten van ritsen in passen. Het puntige uiteinde van de ritspasser kan ofwel recht zijn ofwel licht gebogen of gesplitst zijn (2). Bij dat laatste staat één van de twee punten nagenoeg loodrecht in het middelpunt van de cirkel en kan zo moeilijker wegglijden. De ritspasser met gesplitste punt kan men in beide richtingen gebruiken. De...
Rivelaine (v.)
Wanneer zware blokken steenkool losgemaakt worden, hakt de mijnwerker twee verticale en onderaan een horizontale gleuf uit met zijn pikhouweel. De rivelaine is een kort recht houweel met aan beide uiteinden een scherpe punt, en een tot 180 cm lange houten of metalen steel. (1) Zie ook pikhouweel. [MOT] (1) Bv. HABETS: 11.
Robber (m.)
Meestal wigvormig houten, metalen (1) of benen handwerktuig (ca. 20-25 cm lang) met afgeronde randen en een rechte steel, soms gesculpteerd in de vorm van een stuk touw (2). Het wordt bij het zeilnaaien gebruikt om de naden van het zeil plat te strijken. Voor dit doeleinde gebruikt de zeilmaker ook wel eens de rug van zijn mes. Zie ook omboekhamer. [MOT] (1) NOORDRAVEN & DE BOER: 101. (2) ASHLEY: 20.
Roerhaak (metselaar) (m.)
De roerhaak wordt door de metselaar gebruikt bij het bereiden van beton. Het is een haak met drie, soms ook vier (1), puntige, in doorsnede vierkantige (2), ijzeren tanden (ca. 15 cm) die ongeveer 180° gebogen staan ten opzichte van de dille (diam. ca. 4 cm) waarin een lange (ca. 140 cm) houten steel steekt (3). Zie ook kalkhouw waarmee mortel wordt bereid. [MOT] (1) ''Hoe maakt men een goed beton'': 25. (2) ''Pétolat s.a.'': 112 laat een model met platte tanden zien. Werkend deel en dille zijn verbonden d.m.v. een lange platte stang. (3) N.L.I.: s.v. griffe, toont een model met drie langere tanden die een hoek van 90° vormen met de steel.
Roerspaan (huisschilder) (m.)
De huisschilder gebruikt een roerspaan om de verf te roeren, wat steeds moet gebeuren voor men begint te schilderen. Het is een houten spatel van variërende lengte (ca. 20-40 cm), afhankelijk van de grootte van de verfpot. [MOT]
Rolschoffel (m.)
Met de rolschoffel kan men tussen plantenrijen tegelijk het grondoppervlak losmaken en het onkruid net eronder wieden. Het werktuig bestaat uit een metalen rol met schuine dwarsstukken, die functioneert als wiel en de begroeiing plat drukt. Net achter de rol bevindt zich een afneembaar smal en beweegbaar schoffelblad. Het mes is meestal in de hoogte en hellingsgraad verstelbaar. Aan weerszijden van de rol bevindt zich een beschermingskap om te vermijden dat de losgemaakte grond zijdelings op de gewassen vliegt. De werkbreedte kan variëren van ca. 8 cm bij een enkel wiel tot 50 cm bij een model met dubbel wiel, waarmee men twee rijen tegelijk kan bewerken. Het geheel wordt met duw- en trekkende bewegingen gebruikt. De aansluiting met de T-steel is vaak scharnierend naar links of rechts verstelbaar. Zo kan men schuin achter het werktuig stappen zonder de geschoffelde grond vast te trappen. Het werktuig is sterk verwant aan de grondfrees (hand) en de handschoffelmachine, die vrijwel hetzelfde...
Rolschuier (m.)
Met een rolschuier verwijdert men kruimels van tapijten. Hij heeft één of meerdere rolborstels in een houten of metalen frame, bevestigd aan een lange (ca. 1-1,20 m) steel. Wanneer men daarmee over het tapijt rolt, worden de kruimels door de draaiende borstels opgenomen en komen ze terecht in een vergaarbakje dat zich in het frame bevindt. Voor het verwijderen van kruimels van tafellakens bestaat eenzelfde soort werktuig maar dan kleiner (zie rolschuiertje). [MOT]
Rolschuiertje (o.)
Met een rolschuiertje kan men makkelijk kruimels van stoffen tafellakens vegen. Het bestaat uit een rolborstel in een plastic of metalen frame, met of zonder handvat. Wanneer men met de borstel over de kruimels veegt, worden deze opgenomen en komen ze terecht in een vergaarbakje dat zich in het frame bevindt. Zie ook rolschuier, kruimelveger en kruimelschuier. [MOT]
Rondbektang (v.)
Dunne metaaldraad buigt men met een tang. Naargelang men een hoek of een boog wenst te bekomen, gebruikt men een tang met een platte (zie platbektang) of ronde bek. De kaken van de rondbektang zijn soms vrij lang en niet konisch, zodat ze bestaan uit twee ronde staven. De dikte van de staven varieert naargelang de draad en de gewenste boog. Zie ook combinatietang. [MOT]
Rondeel (m.)
De rondeel is een metalen beitel met afgerond of gebogen snijvlak. Modellen met een houten hecht dienen eerder voor zachte steensoorten zoals mergel. Beeldhouwers gebruiken de rondeel bij het uithouwen van gebogen groeven, zoals de haren of ogen aan een beeld. De steenhouwer hanteert hem onder meer bij het uithouwen van rondingen en dorpels met een waterhol, een groef om te vermijden dat regenwater langs de muur afloopt. [MOT]
Rondmes (o.)
Het rondmes wordt gebruikt door de lederbewerker en in het bijzonder door de zadelmaker, om stug leder op maat te snijden. Het heeft een halfcirkelvormig blad (ca. 20 cm) en een recht hecht dat precies boven het midden van het blad is aangehecht. Bij het middeleeuwse rondmes staat het hecht horizontaal t.o.v. de bovenzijde van het blad. Men kan met dit mes een lange, mooie snede mee maken, terwijl de hand volle drukkracht uitoefent. De hoek van het rondmes plaatst men op het leder en meegaand met de omtrek van het mes, snijdt men het leder op de gemarkeerde lijn door. Bij het eindpunt wordt het mes opnieuw neergezet tot de gehele snede is uitgevoerd. Het mes horizontaal houdend, snijdt men in de dikte van het leder of schuint men de rand af. [MOT]
Rooihaak (m.)
De rooihaak dient om de spijkers uit te trekken die de leien op een dak houden. Het is een metalen blad van ca. 30-50 bij 4-5 cm met zijdelingse naar achter gerichte inkepingen, waarvan een uiteinde loodrecht gebogen is. Aan dat uiteinde is een metalen handvat gesmeed dat in een haak eindigt (1). De leidekker duwt het blad onder de gebroken lei, vat de nagel in een inkeping en trekt het werktuig naar zich toe; soms slaat hij met zijn hamer op het haaks gebogen gedeelte. [MOT] (1) De rooihaak dient onderscheiden te worden van het voegzwaard waarmee mortel tussen grote blokken steen geduwd kan worden. Het blad van dat werktuig is dunner, de inkepingen zijn naar voren gericht en het handvat eindigt niet in een haak.
Rooiijzer (m.)
Om de grienden te onderhouden, gebruikt de griendwerker naast een steekspade en een aks ook een rooiijzer om dode stoven te rooien door de dikke wortels ervan door te steken en nadien ermee door de kop van de stoof te beuken. Dat om laatstgenoemde om zijn as te kunnen draaien, totdat de stronk los van zijn wortels is geraakt. Het rooiijzer wordt ook gebruikt om stronken te kloven (1) om brandhout te maken. Het rooiijzer bestaat uit een ijzeren stang (ca. 100-110 cm lang; gewicht 6-8 kg) waarvan één uiteinde (ca. 30 cm bij 5,5 cm) beitelvormig is en het andere in een ring of een (houten) D-handvat eindigt. Een ander model heeft een werkend deel dat naar de snede toe breder wordt (breedte ca. 8 cm). [MOT] (1) VINK: 16.
Roomhoornvorm (m.)
Metalen kegel (ca. 10-13 cm) om roomhoorns te vormen. De roomhoornvorm wordt ingevet en een reep bladerdeeg wordt er in een spiraal - beginnend aan de top van de kegel - omheen gelegd. Na het bakken kan de vorm worden verwijderd en het gebak gevuld worden met room. Men kan de roomhoornvorm ook gebruiken om: "hoornen van biscuitdeeg te maken. daarvoor kan men hetzelfde recept nemen als voor amandelkrullen waarbij men het nog warme gebak om de vorm buigt." (1). Zie ook spuitzak. [MOT] (1) CAMPBELL: 169.
Roostervork (v.)
Met een roostervork roostert men brood of vlees in de open haard. Het is een vork met 3 ijzeren of roestvrij stalen tanden die al dan niet licht gebogen zijn, en een lange steel (ca. 30-40 cm). Sommige modellen zijn uitschuifbaar (1). Bij een bijzonder model hangt de vork aan de – soms hoornen - steel door middel van een cardankoppeling. Zo kan men een snede brood aan beide zijden roosteren gewoon door de steel te draaien. Zie ook vleesvork. [MOT] (1) Tot ca. 75 cm (WATTEL: 796).
Roskam (m.)
Om paard of koe te reinigen, gebruikt men een roskam. Het grove ingedroogde vuil kan ermee zachtjes van de huid worden gekrabd. Met de roskam opent men tevens de zweetgaten van de paardenhuid (1). De roskam bestaat uit een metalen plaat met twee tot acht rijen korte (ca. 3 mm) stompe tanden en een handvat (ca. 10 cm) of riem om de hand door te steken. Het werkend deel kan verschillende vormen hebben. Zo kan het bestaan uit getande plaatjes die evenwijdig in een houten of aan een ijzeren plaatje of kader (ca. 15 bij 10 cm) zijn bevestigd. Ook kan het een halfcilindrisch plaatje zijn, waar beide zijden getand zijn of bestaan uit verschillende getande ringen die op een plaatje of dwarsbalkje bevestigd zijn. Tegenwoordig wordt ook een rubberen schijfje met nopjes gebruikt. De roskam kan gecombineerd zijn met een manenkam, waarvan de stompe tanden veel langer zijn. Te onderscheiden van de zachte paardenborstel, gebruikt om het korte haar van het paard te reinigen en glad te wrijven. [MOT]...
Rozenmes (o.)
Samengesteld handwerktuig waarmee de bloemenhandelaar de stengels van rozen afsnijdt en de stekels afschraapt. Het bestaat enerzijds uit een halvemaanvormig, kort (ca. 5 cm) blad dat door middel van een angel in het houten handvat (ca. 11 cm) steekt. Tegenover de snede bevindt zich een verend, messingen tangetje, met hefbomen van de derde soort, dat met twee vingers samengedrukt wordt. De bek vat het onderste gedeelte van de stengel en met een zijdelingse beweging schraapt men er de stekels af. [MOT]
Rozenmesje (o.)
Het rozenmesje is een mesje met een kort en smal blad (ca. 4 cm / 8 mm) dat aan de bovenzijde gebogen is en een rechte snede heeft die zich in het vlak van het werktuig bevindt. Het wordt door de houtsnijder bij het kerfsnijden gebruikt. Hierbij steekt of schaaft men iedere keer een houtschilfer weg om zo een ingesneden patroon te krijgen. De houtsnijder gebruikt hiervoor kleine (ca. 15-20 cm), zeer scherpe mesjes met speciaal gevormde snijbladen (zie ook steekmes (houtsnijder) en kerfmes). Elk mesje moet altijd zo worden vastgehouden, dat beide handen zich achter het lemmet bevinden. De duim kan op het hout rusten om zo een steunpunt te verlenen, maar ook hij moet steeds buiten de snijlijn worden gehouden. [MOT]
Rozetijzer (o.)
Een rozetijzer bestaat uit een metalen vormpje. Er bestaan verschillende vormen zoals harten, vlinders, sterren, bloemen, spiralen, enz. op een lange (ca. 20-30 cm), L-vormige metalen steel, eventueel met een houten handvat; ook bestaan er rozetijzers met twee stelen, waarop men twee vormen tegelijk kan steken. Wanneer men het ijzer in hete frituurolie dompelt en vervolgens in frituurdeeg, loopt het vormpje vol met beslag. Het met beslag bedekte ijzer wordt nu opnieuw in de olie gehouden tot het koekje goudgeel en knapperig is. Een ander model van rozetijzer heeft de vorm van een geribd afgeknotte kegel of bol, al dan niet uitgehold, voor het maken van timbaaltjes. Nadat men dit ijzer in het beslag heeft gedoopt, zonder dat het deeg de bovenzijde bereikt, laat men het afkoelen tot het gevormde deegpotje los komt. [MOT]
Rubberhamer (m.)
De rubberhamer vervangt de hamer (lederen). Het is een hamer (ca. 600-1000 gr) waarvan de cilindrische of tonvormige kop (ca. 6-7 cm doorsnede) van rubber is. De steel is van hout, plastic of metaal. De rubberhamer wordt gebruikt voor het bewerken van materiaal waarvan het oppervlak niet beschadigd mag worden. Ook voor het leggen van tegels e.d. is de rubberhamer geschikt. In garages wordt hij gebruikt voor uitdeukwerk. Zie ook de hamer (nylon). Niet verwarren met de rubberen reflexhamer van de arts. [MOT]
Rugzaag (v.)
De rugzaag dient om kleine stukken zonder splinters te zagen. Het is een handzaag met pistoolkolf (zie glossarium), waarvan het rechthoekig dun blad van 20-50 cm, kleine tanden heeft. Dat blad wordt door een zaaglade stijf gehouden, d.i. een omgeplooide smalle plaat die op de rug bevestigd is. Soms ook is de rug zelf dikker gesmeed. Het rugzaagje (1) heeft dezelfde bestemming maar is korter (13-25 cm) en heeft een soms verstelbaar recht hecht dat in hetzelfde of in een evenwijdig (2) vlak ligt als het blad. Bij het innaaien van boeken op touwen (3) gebruikt de boekbinder het rugzaagje om haaks op de rug van het boekblok zaagsneden te voorzien waarin de touwen vallen. [MOT] (1) Ook verstekzaag (MERTENS 1956: 1.31); verstekzaagje, fijn handzaagje (JORIS & ROUSSEAU: 29); fineerzaag, modelmakerstoffelzaag (Tech-term: 23); fijnzaag (LOMBAERT: 50);toffelzaagje (POLLING: 178). (2) Soms verstektoffelzaag genoemd (Tech-term: 23). (3) Ook verzonken binding genoemd.
Ruikbeen (o.)
De geur is een belangrijk criterium bij het keuren van gedroogde ham. Hiervoor wordt het ruikbeen gebruikt, een priemvormig werktuig gemaakt van het kuitbeen (Fibula) van een paard, dat poreus is en daardoor de geuren opneemt. Het ruikbeen wordt op bepaalde plaatsen in de ham gestoken en de geur wordt dan opgesnoven door de keurder, die de smaak van de ham in de keel proeft. [MOT]
Ruimer (m.)
Indien hoge eisen worden gesteld ten aanzien van maatnauwkeurigheid en oppervlaktegesteldheid van machineonderdelen, geweerlopen of ijzeren constructies wordt een ruimer gebruikt om geboorde gaten zuiver rond te maken, op de juiste maat te brengen, en hun wand een zuiver en glad oppervlak te geven. De ruimer bestaat hoofdzakelijk uit een stalen licht conische cilinder (lengte ca. 5-45 cm; diam. ca. 0,5-60 mm) waarvan het werkend deel voorzien is van 3 tot 18 gefreesde groeven die rechte of spiraalvormige snijkanten vormen. Voor het maken van conische gaten bestaan er tapse ruimers met een drietal spiraalvormige snijkanten. Er bestaan verstelbare modellen (lengte ca. 10-50 cm; diam. ca 8-55 mm; maximale verplaatsing van de messen bedraagt 0,01 mm), waarbij verschillende diameters kunnen worden ingesteld door 2 moeren te verstellen. Bij een ander model, ook wel Berg's ruimer genoemd, is onder de drie snijkanten een fijne schroefdraad aangebracht (1), waardoor hij zichzelf dieper in het...
Ruitenlichter (m.)
Met een ruitenlichter kan de glazenmaker makkelijk een grote ruit even oplichten. Het heeft een steel (ca. 20 cm) met daaraan een rechthoekig, dik (ca. 2-3 cm) blad met één rechte en één schuine zijde. Men schuift het werktuig onder het glas met de schuine zijde naar beneden; eens onder het glas, duwt men de steel naar beneden en het glas komt naar omhoog. De ruitenlichter kan monoxiel zijn of van plastic met een houten steel. [MOT]
Ruitenwisser (m.)
Handwerktuig waarmee men water van ruiten aftrekt. Het kan een houten werktuig zijn met een langwerpig blad (ca. 20-25 cm) dat haaks aan een korte steel (ca. 10 cm) bevestigd is. Aan de onderzijde van het blad is er een rubberen band. Moderne ruitenwissers zijn van plastic of koper.  Zie ook de vloerwisser. [MOT]
Ruitersknipmes (o.)
Het ruitersknipmes is een samengesteld handwerktuig waarbij een hoefkrabber en tenminste één lemmet van ongeveer 7 cm lang om bijvoorbeeld riemen en touwen door te snijden nooit ontbreken. De hoefkrabber mag men niet verwarren met de kleinere wildhaak van het jachtknipmes of de haak aan het vissersknipmes om een vislijn binnen te halen. Soms vindt men bij het ruitersknipmes nog een hoefmes voor paarden om overtollig hoorn van de hoef te verwijderen, en een scherpe metalen priem van ongeveer 3,5 cm lengte om gaten in het lederen tuig van het paard bij te maken. Een laatmes en een manenkam kunnen het ruitersknipmes nog vervolledigen (1). Al deze werktuigen worden veilig in het hecht gevouwen dat uit hoorn, been, hout of plastic is vervaardigd. Zie ook zakmes. [MOT] (1) Een pincet zoals op inv. nr. MOT V 2005.0013 lijkt vrij weinig courant.
Sabel (metselaar) (m.)
De sabel van een metselaar is een langwerpig wigvormig ijzer met een scherpe zijde dat de metselaar gebruikt om bakstenen door te hakken door er met de baan van de kaphamer op te slaan. Vaak klemt de man daarvoor de steen tussen zijn knieën (1). De sabel gelijkt sterk op het hoefhakmes van de hoefsmid. [MOT] (1) WATTJES: 2.105.
Sapsnijder, tang (m.)
Tangetje (ca. 10-15 cm) gebruikt om een ringvormige uitsnijding te maken in de schors en de bast van wijnranken of takken van fruitbomen (1). De bedoeling is een segment (ca. 3-5 mm breed) van schors en bast onder de druiftrossen of het fruit, hetzij op de wijngaardloten van het jaar zelf, hetzij op de ranken en de takken van het vorige jaar, te verwijderen. Door de bast te onderbreken, wordt de neergaande stroom met de voedende bestanddelen - die in de bladeren gevormd worden - tegengehouden en worden deze sappen opgenomen door de bloesem en de vruchten die dikker en vlugger rijp zullen zijn. De sapsnijder bestaat uit twee gebogen armen (2), die al dan niet met elkaar kruisen en waartussen een veer gespannen zit die de twee kaken bijeenhouden. Een bek bestaat meestal uit twee parallelle bladen met holle snede. De afstand tussen de bladen is gelijk aan de breedte van het segment dat wordt verwijderd (3). Door de bek rond de rank of tak horizontaal heen en weer te draaien snijdt men schors...
Sardineschaar (v.)
Voordat er sprake was van een sardinesleutel opende men een sardineblikje met een sardineschaar. Dat is een schaar met korte (ca. 5 cm), dikke gebogen bladen met een stompe punt. Onderaan één van de armen bevindt er zich een scherp driehoekig uitsteeksel waarmee een gat in het blikje gemaakt wordt. Vervolgens kan men het blikje langs de rand opensnijden. [MOT]