ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 1,301 - 1,350 1,422 resultaten gevonden
Vleeshakmes (eenhandig) (o.)
Keukengerei met een zwaar, meestal rechthoekig blad waarmee vlees in stukken gehakt wordt. Blad en handvat vormen één geheel, of het blad steekt in een houten handvat en neemt meer dan de helft van het totaalgewicht in. Zo valt het hakmes als het ware naar voren en naar beneden en maakt hij het hakken gemakkelijker. Het gewicht (300 gr - 3 kg) van deze vleeshakmessen varieert naargelang het werk dat ermee gedaan moet worden. Zware hakmessen bijvoorbeeld hakken moeiteloos de meeste gewrichten en beenderen door. Zie ook hakmes (hout), vishakmes en vleeshakmes (tweehandig). [MOT]
Vleeshakmes (tweehandig) (o.)
Om slachtdieren in stukken te verdelen gebruikt de slager een zwaar (ca. 2-3 kg) en groot (ca. 70-100 cm) hakmes dat met twee handen gehanteerd moet worden. Het is een uitvergrootte versie van het eenhandig vleeshakmes dat door de slager en in de keuken gebruikt wordt. Zie ook slagerszaag. [MOT]
Vleeshamer (m.)
Om vlees mals te slaan, kan men een vleespletter of een vleeshamer gebruiken. Dat laatste is een houten hamer - porselein of aluminium wordt soms gebruikt - met een cilindervormige of rechthoekige kop met op beide banen stevige, piramidevormige knopjes. Op de éne baan zitten vaak grotere knopjes dan op de andere; respectievelijk voor dikke en dunne stukken vlees. Deze knopjes kunnen uit de houten kop gesneden zijn maar er kan ook een roestvrijstalen plaatje met knopjes op de baan bevestigd zijn. De kop van de vleeshamer kan ook aan één zijde een bijltje (bv. MOT V 2011.0089), ijspriem (1) of vleesvermalser (2) hebben.Een ander model heeft een handvat bovenaan in plaats van een hamersteel (bv. MOT V 2002.0089). [MOT] (1) Zie ''The Stanley Catalog Collection 1855-1898'': 64, 241.(2) CAMPBELL: 87.
Vleesmolen (m.)
Met de vleesmolen wordt vlees fijn gemalen. Hij heeft een huis van (vertind) gietijzer of plastic met bovenaan een vultrechter en langszij een mes- of gatenschijf. Binnenin zit een Archimedesschroef die door een draaizwengel in beweging wordt gebracht. De vleesmolen kan met een schroefklem of zuigvoet aan het tafelblad worden bevestigd. Er bestaan echter ook losse modellen met vier poten. Grootte en gewicht (ca. 1,5-10 kg) variëren. Het fijn te malen vlees wordt in de vultrechter gedaan en komt op de Archimedesschroef terecht dat het vlees doorheen de gatenschijf drukt. Met kan hiervoor een houten stamper gebruiken, die soms bij het toestel hoort. Bij sommige molens draaien mesjes langs een vastzittende gatenschijf, bij andere malen twee gatenschijven - een vaste en een draaiende - het vlees. Met deze schijven kan het vlees in verschillende fijnheden worden gemalen, van grof tot heel fijn, afhankelijk van de grootte van de gaten. De losse, draaiende schijven worden met een vleugelmoer...
Vleespers (m.)
Werktuig waarmee men het sap uit paarden-, rund of schapenvlees kan persen om het te geven aan tuberculosepatiënten, herstellenden, bij bloedarmoede enz. Men kiest de magere en malse delen van het vlees van een gezond volwassen dier (1). Het wordt eerst zorgvuldig gereinigd en in schijfjes van ca. 0,5 cm gesneden. Dan wordt het gehakt of geschraapt (2) om de pulp te scheiden van het vezelige afval. De pulp wordt in een vijzel fijngestampt of door een vleesmolen gehaald (3), in een doek gewikkeld en dan geperst in de vleespers. Het sap wordt in een kopje opgevangen dat in een recipiënt, gevuld met warm water, staat (4). Het kan meteen worden gebruikt (5). Een andere methode is de schijfjes gereinigd vlees licht te schroeien in een hete pan, zonder toevoeging van boter of vet alvorens ze te persen (6). De vleespers bestaat uit een cilindrisch, metalen recipiënt (ca. 7-10 cm doorsnede; ca. 8-15 cm hoog) op een sokkel met een uitschenktuitje; aan de bovenzijde zit er een schroef die een rond...
Vleespletter (m.)
Keukengerei dat gebruikt wordt om vrij taai vlees fijn en mals te slaan. Het kan volledig van hout zijn en vertoont dan gelijkenis met de wasklopper en de kurkenklopper. Het kan ook van metaal zijn; dit zwaarder model (ca. 700-1200 gr) heeft een vierkantig blad dat aan de benedenzijde plat is en twee scherpe randen heeft om het vlees na het pletten bij te snijden. Het kan geheel van metaal zijn of met een angel in een houten hecht steken. Zie ook vleeshamer en vleesvermalser (hand). [MOT]
Vleesvermalser (hand) (m.)
De vleesvermalser (1) dient om pezig en taai vlees mals te maken. Hij bestaat uit een dikke (ca. 1 cm) plaat (ca. 13 cm bij 10 cm) met een opening (ca. 9 cm bij 5 cm) waardoor het werkend deel glijdt, bestaande uit een 10-tal kammen (ca. 7 cm bij 3,5 cm) met telkens een 16-tal schuine scherpe snijpunten. Dat werkend deel kan zo'n 3 cm op en neer bewegen. Door het handwerktuig op het vlees te leggen en de handvatten naar beneden te drukken, prikken de ca. 160 scherpe stalen snijpunten in het vlees.Een ander model heeft een plastic handvat met zes vaste kammen, met telkens acht stalen schuine scherpe snijpunten. Ze worden beschermd door een afneembaar plastic deksel. Via het afschroefbaar handvat kunnen de kammen vervangen worden.Nog een ander model bestaat uit vijf naast elkaar liggende scherpe tandwielen omvat in een plastic huls (ca. 15 cm). Door het heen en weer over het lapje vlees te rollen, worden ook de fijnste vezels doorgesneden (2).Soms bevindt er zich tegenover de baan van de...
Vleesvork (v.)
De vleesvork dient om stukken vlees of spek uit een kookpan te nemen of op te steken om ze te roosteren op het vuur. Het is een vork met twee, soms drie tanden en een lange - vaak haakvormig - steel (30 to 80 cm). Ze is meestal volledig uit ijzer vervaardigd. Bij een speciaal model staan de tanden haaks op de steel maar in hetzelfde vlak. Zie ook roostervork. [MOT]
Vlegel (m.)
Handwerktuig waarmee graan (1) wordt gedorst door op de grond liggende losgemaakte schoven te kloppen. Tussendoor worden de halmen met een (houten) hooivork gekeerd. Wanneer alle korrels uit de aren zijn gevallen, worden de halmen weer gebonden. Het graan wordt met behulp van een blokhark samen geduwd. Men kan zowel alleen als met verscheiden (zelfs acht) arbeiders werken. De vlegel bestaat uit een houten steel (ca. 130-150 cm) en een zwaardere - meestal uit haagbeuk (2) - knuppel (lengte ca. 60-80 cm; diam. ca. 5-10 cm) die beweeglijk aan elkaar zijn bevestigd. Afmetingen en vorm van de onderdelen verschillen naargelang de periode en de streek. Zo kan de knuppel volledig uit één stuk hout zijn vervaardigd of uit samengebonden stukken gemaakt zijn zoals bijvoorbeeld in China (3). Ook de verbinding tussen de twee delen is verschillend van streek tot streek. Het werkend deel kan voorzien zijn van een leren kap of doorboord zijn. De steel kan eveneens voorzien zijn van een leren lus of van...
Vleugelspade (v.)
Nadat het heiveld werd gemaaid met de plaggenzeis of de getande sikkel en de zoden verwijderd met de zodenlichter, gebruikt de turfsteker de vleugelspade om turven te steken (1), die na droging gebruikt worden als brandstof of mest. Het is een spade met ijzeren blad (ca. 15 x 20 cm), met één of twee opstaande randen, dat licht gebogen staat (ca. 10-25°) ten opzichte van een knop- of T-steel (75-120 cm). De snede van het blad kan recht of puntig zijn (2) en wordt, zoals de steekspade, verticaal (3) (ca. 20-25 cm) in de grond gestoken. Het resultaat is een kluit in de vorm van een parallellepipedum (ca. 20 x 15 x 10 cm). De opstaande randen dienen, naast het doorsnijden van de turf, om de kluit bijeen te houden. [MOT] (1) Volgens GOOSSENAERTS: s.v. vapeur zou "toen het turfsteken gedaan raakte, de vleugelspade worden omgebogen, om in de plaats van aardappelkuiltjes te moeten steken, er te kunnen hakken - wat makkelijker is". Volgens VERBEECK: 25 wordt het werktuig om aardappelen te poten...
Vliegenjager (m.)
De vliegenjager is gemaakt van een paardenstaart gebonden op een steel van 20-30 cm. Met dat werktuig verjaagt men de vliegen bij het beslaan of verzorgen van zenuwachtige paarden. Het werktuig is te onderscheiden van de vliegenmepper waarmee de vliegen gedood worden. [MOT]
Vloerdrijver (m.)
Er bestaan verschillende modellen van de vloerdrijver (1) om de planken van een vloer samen te drukken. Het een bestaat uit "een ronde ijzeren staaf a, lang 1,10 m, dik 26 mm, van onderen een weinig taps bijlopend; aan het ondereinde zit een beweegbare knie b, lang 20 cm, zwaar 13 bij 52 mm en op 0,50 m uit den onderkant een beweegbaar schoorijzer c, van onderen aangepunt. De hefboom wordt in een put in de balk gestoken, zodat de knie tegen de regel drukt; door de lange hefbomen naar de planken over te trekken, drukt de knie deze in elkaar; het schoorijzer glijdt daarbij over de balk en drukt met de scherpe punt er in, zodra de hefboom losgelaten wordt, waardoor een teruggaan belet wordt" (2). Een ander model vat de balk tussen twee armen in plaats van er ingestoken te worden. Met deze werktuigen kunnen vijf tot zeven planken samen gedrukt worden. Vaak worden ze vervangen door een kram en één of twee wiggen, soms door de schietbeitel. In dat laatste geval moet elke plank afzonderlijk...
Vloerzaag (v.)
De vloerzaag is een zaag, met sterk uiteenlopende vormen, om in de reeds geplaatste planken van een vloer, of paneelwerk tegen een muur, een gat te kunnen zagen zonder eerst gebruik te hebben gemaakt van een boor (zie omslagboor) of beitel (zie hakbeitel). Het kan een handzaag zijn van ca. 10-20 bij 4-5 cm, bestaande uit een blad met één rechte zijde dat over de hele lengte is getand, en een boogvormig uiteinde, tevens getand, dat naar de zaagsnede toe puntig uitloopt. Een ander, kleiner model heeft enkel een boogvormig getand blad. Het puntig uiteinde sluit dan aan de andere - niet getande en rechte - zijde aan. Met de boogvormige zijde zaagt de vakman door de plank. Daarna hanteert hij zijn werktuig zoals een gewone handzaag. Het kan ook een model zijn waarbij het zaagblad meestal is geklemd in een houten plankje met twee naar boven gerichte handvatten (1). Deze zaag wordt met beide handen gevat en werkt in twee richtingen. Ze beweegt over het algemeen niet loodrecht tegenover de vakman...
Voegblok (o.)
Om de voegen in vers geplaatste cementvloeren glad te strijken en/of om er een bijzondere vorm aan te geven, wordt een voegblok (1) gebruikt. Het voegblok bestaat uit een dik metalen (staal, brons of messing) plaatje (10 bij 3 cm) van verschillende doorsnede, afhankelijk van de vorm die men aan de voeg wil geven. Het werkend deel is aan een blok of een greep (2) bevestigd, soms ook aan een handvat met knik. Er bestaat ook een model met breed wieltje, dat men over het oppervlak laat rollen (3). [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. (2) Bv. SELLENS: 117. (3) Bv. SELLENS: 117.
Voegenkrabber (tuinier) (m.)
Handwerktuig met een plat en enigszins L-vormig blad (ca. 7 cm bij 7 cm) met een spitse punt, dat aan de rug- en voorzijde een vouw heeft, en dat bevestigd is in een houten of plastic hecht. Het wordt in de tuin gebruikt om vuil en onkruid tussen tegels en stenen te verwijderen (zie ook wiedvingerling); men kan het al trekkend en al duwend gebruiken. Met de rug van het blad kan men ook aarde van schop of spade afkrabben. Zie ook wiedhaakje. [MOT]
Voegijzer (o.)
Handwerktuig dat bestaat uit een smal (ca. 5-8 mm), plat of rond ijzer dat met een omgebogen steel aan een recht handvat bevestigd is. Het wordt gebruikt om de voegen in metselwerk vol te zetten en glad te strijken (1). Zie ook mandenmakerspriem. [MOT] (1) ZWIERS:82 maakt een onderscheid tussen de voegspijker (s.v. voegijzer) met een smal (ca. 6 mm), plat blad om voegen vol te zetten en de doorhaler met breder en dikker blad (ca. 8 mm) dat aan het uiteinde als een beitel geslepen is en dat gebruikt wordt om de in de voegen gezette mortel langs de rij regelmatig aan te drukken en glad te strijken.
Voegzwaard (o.)
Een voegzwaard is een handwerktuig van de metselaar dat werd gebruikt bij het plaatsen van grote natuursteenblokken. Die blokken worden niet zoals bakstenen in een mortelbed gelegd maar op houten blokjes geplaatst waarna men met behulp van het voegzwaard de mortel tussen de steenblokken aanbrengt (1). Ook de verticale voegen worden zo opgevuld. De grote inkepingen langs beide zijden dienen dus om de mortel vooruit te duwen tussen de steenblokken en de voegen volledig vol te drijven tot de steen los van de houten wigjes komt (2). Het dun metalen blad kan in het verlengde van de houten, rechte steel bevestigd zijn of een hoek ermee vormen. Het blad is dubbel gezaagd van vorm, met grote inkepingen die naar voren zijn gericht. De lengte van het voegzwaard is gerelateerd aan de afmetingen van het metselwerk dat men ermee wil bouwen. Het voegzwaard lijkt op de rooihaak van de leidekker maar het blad is dunner, de inkepingen zijn naar voren gericht en het handvat eindigt niet in een haak. [MOT]...
Voetschaar (v.)
De voetschaar is een zwaar werktuig dat op de grond staat en waarvan de metalen onderkaak met de voet tegengehouden wordt. De beweegbare bovenkaak, een hefboom van de tweede soort, heeft een snijdend blad dat tussen beide bladen van de onderkaak glijdt (1); het uiteinde van die onderkaak is geribd om een beter houvast te bieden. Met de voetschaar knipt de mandenmaker de dikkere wissen op maat. [MOT] (1) Er bestaat ook een model met een vlakke onderkaak, dat meer plet dan knipt.
Voorboor (v.)
De voorboor is een avegaar waarvan het plat boorijzer op het einde breder wordt en in een schroefvormige punt eindigt. Het werktuig is niet te verwarren met de verzinkboor (zie glossarium), die veel kleiner is en nooit op een kruk bevestigd is. De voorboor dient om gaten aan te boren die met de lepelboor gemaakt zullen worden. Deze laatste boor heeft inderdaad de neiging om op een plat vlak weg te glijden. De voorboor wordt slechts voor grote gaten gebruikt, voor kleine gebruikt men de fretboor (1). [MOT] (1) Voorboor en amorçoir duiden dan ook de fretboor aan.
Voorhamer (m.)
Hamer met een vrij dikke wigvormige pen, die in sommige gevallen in hetzelfde vlak ligt als de steel. In tegenstelling tot de smeedhamer is de kop van de voorhamer veel zwaarder (tussen 2-12 kg) en is de steel langer (ca. 60-100 cm) zodat hij met twee handen kan worden gevat. Als de smid met één of meerdere helpers samenwerkt, gebruikt hij een smeedhamer om de plaats aan te duiden waar geslagen moet worden. De helpers hanteren dan elk een voorhamer om het eigenlijke smeedwerk uit te voeren. Ook voor het "zware" smeedwerk wordt een voorhamer gebruikt. Door zijn lange steel kan er namelijk met grote kracht mee worden geslagen. [MOT]
Voorloper (m.)
De voorloper is een schaaf met vierkantig, 50-60 cm lang blok, met handvat, zonder keerbeitel. Het is de eerste schaaf die gebruikt wordt bij het gladmaken van een stuk hout. Daar ze voor grof werk bestemd is, is de snede van haar beitel enigszins afgerond. Daarna wordt het hout bewerkt met een reeschaaf. [MOT]
Voorsnijmes (o.)
Met een voorsnijmes worden grote stukken vlees voorgesneden. Het heeft een enigszins buigzaam lemmet (ca. 25-30 cm lang) met een scherpe, soms omhoog gebogen punt waarmee het vlees van de botten kan worden losgesneden. Vroeger waren voorsnijmessen vrij breed zodat men het vlees er ook mee kon serveren. De meeste voorsnijmessen hebben een 3/4 of volle tong. Het hecht kan van allerlei materialen zijn gemaakt: plastic, hout, hertshoorn, roestvrij staal, zilver of ivoor. De meer stugge messen dienen om runder-, varkens- of lamsvlees voor te snijden; licht buigzame messen worden gebruikt voor gevogelte. Het wordt vaak in combinatie met een voorsnijvork gebruikt. Zie ook hammes. [MOT]
Voorsnijtang (v.)
De voorsnijtang laat toe om een stuk gebraad vast te klemmen, zodat men het makkelijk kan snijden. De kaken zijn vrij groot, breed en gebogen. Ze bestaan uit staven, die op regelmatige afstand van elkaar staan. Men kan met een mes tussen de staven snijden om schijven van dezelfde dikte te bekomen.  Zie ook de voorsnijvork en het voorsnijmes. [MOT]
Voorsnijvork (v.)
Wanneer men een groot stuk vlees voorsnijdt met een voorsnijmes kan men dat vlees vasthouden met een voorsnijvork. Ze heeft vrij lange (ca. 7-10 cm) - meestal drie - stevige tanden en een hecht van plastic, hout, hertshoorn, roestvrij staal, zilver of ivoor. Tussen lemmet en hecht is er veelal een stootplaatje ter bescherming van de hand als het mes zou uitschieten; vaak is er ook een uitklapbaar staafje opdat de vork niet te diep in het vlees zou binnendringen. Zie ook voorsnijtang. [MOT]
Vorm voor kartonnen dozen (m.)
Houten vorm die gebruikt wordt om kartonnen dozen te maken. Hij heeft de vorm van de binnenkant van de te maken doos. Er worden in lijm geweekte reepjes papier op geplakt totdat de gewenste dikte is bereikt. Wanneer de kartonnen doos droog is, wordt ze met een laag vernis bedekt om de onvolmaaktheden te maskeren en vervolgens met de hand versierd (1). [MOT] (1) Deze wijze om kartonnen dozen te maken zou uit de 12de eeuw stammen. Pas in de 18de eeuw zou men gebruik gaan maken van holle vormen, die dus de vorm van de buitenkant van de te maken doos hebben (BRUYEZ: 89).
Vorm voor ventilatiepan / Vorm voor duivenpan (m.)
Vol houten vorm met een kort rond hecht, waarop de kap van een ventilatie- of een duivenpan gemaakt wordt. De pannenbakker legt de met de snijvorm (snijvorm voor ventilatiepan) uitgesneden kleiplaat op deze vorm en de bekomen kap wordt dan aan de dakpan, voorzien van een opening, bevestigd. [EMABB]
Vouwbeen (o.)
Langwerpig (ca. 15-20 cm lang; ca. 2-3 cm breed; ca. 0,5 cm dik) meestal benen, maar eventueel ook hoornen, houten (1) of ivoren werktuig met afgeronde randen en waarvan één korte zijde spitser is dan de andere. Het vouwbeen wordt hoofdzakelijk gebruikt om vouwen of plooien te wrijven in papier of leder. Het model uit buxus wordt vooral gebruikt voor het vouwen van vellen die uit de bedrukking komen (2). Het benen vouwbeen wordt door de boekbinder gebruikt om de hoekjes en randen van de omslag van een boek plat te strijken en om de vouw in de rug aan te drukken (3). Het is van been omdat dit materiaal geen blijvend vouwteken achterlaat in het papier of het leder. Volgens FRUMEAU: 55 is het vouwbeen ook geschikt om als griefpasser te gebruiken (4). Zie ook briefopener en likbeen. [MOT] (1) KIEL: 127; "Een vouwbeen is gemakkelijk te maken uit een hardhouten latje (eiken, beuken of bij voorkeur esdoorn) ..." (2) CHANAT: 25. (3) Ook bij het omboeken. Dit is het omvouwen en vlak kloppen of...
Vuist (metselaar) (v.)
Een vuist is een stalen hamer (ca. 1-2 kg) met twee vierkante, vlakke banen waarvan de hoeken meestal zijn afgeschuind, en korte (ca. 20 cm) steel. De metselaar gebruikt de vuist voor sloopwerk. Hierbij slaat hij met de hamer op het breekijzer. Te onderscheiden van de moker die zwaarder is en een langere steel heeft. [MOT]
Vulstok (m.)
Zadelmakerswerktuig dat bestaat uit een lange (ca. 35-55 cm), meestal ijzeren, soms houten schacht, die in doorsnede rechthoekig of rond is en die eindigt in één of meerdere V-vormige uitsnijdingen. De schacht kan recht of gebogen zijn en is meestal gevat in een kort, vaak knopvormig handvat. Met de vulstok wordt wol, vlokwol of stro in bepaalde delen van het zadel of harnas geduwd. Dat fungeert als kussen zodat het paard geen verwondingen kan oplopen en de ruiter wat comfortabeler kan rijden. [MOT]
Vuurlepel (m.)
Kleine (ca. 15 à 20 cm) bronzen, koperen of ijzeren platte lepel waarvan het werkend deel vaak opengewerkt is of soms opstaande randen heeft. Het einde van de steel kan voorzien zijn van een ring of een haak om het werktuig op te hangen (1). De vuurlepel dient om de gloeiende houtskool in het komfoor te roeren en te sorteren. Kleinere (max. 15 cm) modellen werden gebruikt voor de pijpenwarmer (2). [MOT] (1) De vuurlepel werd wel eens door vrouwen gedragen aan de riem; vaak was het een huwelijksgeschenk (ARMINJON & BLONDEL: 484). (2) ARMINJON & BLONDEL: 558 (s.v. pelle de fumeur).
Vuurschop (stoker) (v.)
IJzeren schopje (lengte 100-120 cm; breedte 15-20 cm) met vlak blad en ijzeren steel, waarmee men de kolen in de verwarmingsketel samenbrengt. Vaak eindigt de steel in een ring. De vuurschop van de stoker maakt meestal deel uit van een stel, samen met een pook, een rakelijzer en een sinteltang. Zie ook vuurschopje (smid). [MOT]
Vuurschopje (smid) (v.)
Het vuurschopje is een ijzeren schopje (lengte ca. 75 cm; breedte ca. 12 cm) met meestal vlak blad en ijzeren steel, waarmee de smid de kolen samenbrengt en het te warmen stuk dekt. Vaak is het handvat opengewerkt. Zie ook asschop en vuurschop (stoker). [MOT]
Vuurtang (v.)
Met een vuurtang kan men brandende stukken hout verplaatsen. Ze is vrij lang, zodat de handen op voldoende afstand blijven van het vuur en de brandende stukken hout. Vaak is de vuurtang onderdeel van een haardset, waaronder zich ook een asschop, een vork en een haardborstel kunnen bevinden. De vuurtang verschilt sterk van de kooltjestang, die lichter en vaak korter is. Ze is dan ook enkel bedoeld om een kooltje uit de haard te nemen en er de pijp mee aan te steken. Zie ook sinteltang. [MOT]
Vuurzweep (v.)
De vuurzweep is een handwerktuig dat de brandweer gebruikt om een lopend vuur in gras, heide, enz. al kloppend te doven. Het vervangt de gewone twijgen die vroeger gebruikt werden. De vuurzweep bestaat uit een 10-tal soepele ijzeren banden die waaiervormig in een houder zijn geklemd waarin een lange houten steel (ca. 200 cm) steekt. Te onderscheiden van de palingschaar. Zie ook zwabber. [MOT]
Wafelijzer (o.)
Vroeger bakte men wafels met twee soorten wafelijzers. Het éne is een vrij grote tang (ca. 35-100 cm lang) met gekruiste armen en een bek met platte, rechthoekige of ronde kaken (ca. 13-27 cm breed); bij het andere hebben de kaken opzij een scharnier zodat ze als een boek opengaan. De grootte van de bek varieert en de kaken kunnen aan de binnenzijde vlak of met vierkantige nopjes bedekt zijn, respectievelijk om dunne, vrij harde wafels en dikke, zachte wafels te bakken. Bij sommige wafelijzers met rechthoekige kaken is het mogelijk om twee wafels tegelijk te bakken. In de kaken kunnen ook motieven uitgespaard zijn, bv. om hartvormige wafeltjes te bekomen. Het tangvormig wafelijzer werd op een drievoet boven het vuur geplaatst; het andere model in een steun op de kachel gelegd. De armen hebben vaak een ring- of knopvormig uiteinde; soms is één van de armen voorzien van een ovaal, scharnierend oog of slot om beide steeleinden te kunnen samen hechten. Zie ook het hostie-ijzer en tosti-ijzer....
Wagenmakerspasser (m.)
De wagenmakerspasser is een zes-kantig houten blok waar, in elk vlak, drie ijzeren punten steken. Met deze passer tekent de wagenmaker de diameter van de naven af. [MOT]
Walkmes (o.)
Een walkmes is een stok (30-40 cm lang, 3-4 cm dik) met aan één uiteinde een lange nagel (ca. 10 cm) die er schuin en dwars door geslagen is. Bij het walken, het met de hand kneden van de klei, snijdt men de massa klei in twee met dat werktuig. [EMABB]
Wan (v.)
De wan is een grote (ca. 90-100 cm bij 75 cm), platte schaalvormige korf zonder opstaande rand aan één zijde. Ze is gemaakt uit tenen en voorzien van twee wilgenhouten of hazelaren handgrepen. In tegenstelling tot de graanzeef waarbij men op grootte van het materiaal sorteert, worden bij de wan, evenals bij de wanschop de graankorrels (het koren) van kaf, kortstro en andere onzuiverheden gescheiden door het verschil in gewicht. Door de wan te schudden in een cirkelvormige beweging of op te werpen samen met een verplaatsing van achter naar voor, worden de lichte onzuiverheden in het graan door de wind of de tocht weggeblazen. De zwaardere worden met de hand, eventueel met een pluim, verwijderd. Dat werk gebeurde buiten of in de schuur waar men dan voor tocht zorgde (1). [MOT] (1) Een korf zou ook gebruikt worden om het graan door middel van water te zuiveren: het gevulde recipiënt wordt in de stroom van het water gedompeld en het kaf drijft weg. De korrels worden achteraf op een mat in...
Wandelstok met vorkje (m.)
Vorkje, met twee - in doorsnede - vierkantige tanden (ca. 5-10 cm), meestal geschroefd in een ijzeren of koperen dille, waarin een steel (ca. 70-100 cm) steekt. Laatstgenoemde is meestal een ruwe stok van hazelaar of een gedraaid stuk uit essenhout. De tanden - met een onderlinge afstand van ca. 4 à 5 cm - zijn meestal bot, doch soms ook (heel) scherp. Verondersteld (1) wordt dat dit vorkje door de postbode op het platteland wordt gebruikt om loslopende dieren, zoals honden, ganzen of varkens, op afstand te houden. [MOT] (1) Zie Het vorkje van de 19de eeuwse postbode. Wapen of statussymbool?, Johan David in 'Eigen Schoon en De Brabander', 76 (1993), p. 87-90.
Wasboender (m.)
Vroeger gebeurde het wassen met de hand. Na het koken van het wasgoed werd elk stuk ingezeept met fijngeraspte zeep (zie zeeprasp) en schoongewreven. Dat kan met de handen alleen maar men kan ook een wasbord en -boender gebruiken, d.i. een borstel zonder handvat met een houten ovaalvormig borstellichaam (ca. 18-20 cm bij 5-6 cm; dikte 2 cm) voorzien van een aantal (ca. 75) niet doorboorde gaten waarin haarbundels (ca. 3 cm lang) uit chiendent (hondsgras) of kunststofvezel steken. De rand van het borstellichaam is afgeschuind en daardoor staan de buitenste haarbundels naar buiten gericht behalve waar men de wasboender vastneemt: daar is de rand recht en ontbreken de haarbundels. [MOT]
Wasbord (o.)
Vroeger gebeurde het wassen met de hand. Na het koken van het wasgoed werd elk stuk ingezeept met fijngeraspte zeep (zie zeeprasp) en schoongewreven. Dat kan met de handen alleen maar men kan ook een boender en een wasbord gebruiken, d.i. een geribbelde plank, later een gegalvaniseerde plaat (ca. 40-60 cm lang; ca. 30-50 cm breed). De plank heeft soms een houten verlengstuk met opstaande randen voor het wasgoed. Zie ook wasklopper. [MOT]
Wasbreektang (v.)
Een wasbreektang heeft holronde, dwars gegroefde kaken. De as kan zich tussen kaken en armen bevinden maar ook aan het kopuiteinde. In dat laatste geval vertoont de wasbreektang gelijkenis met de notenkraker (1). De kaken worden om de hals van een verzegelde fles gekneld om zo de was te breken. Te onderscheiden van de champagnetang waarmee men de muselet doorknipt. [MOT] (1) In ''Nouveau Larousse Illustré'': s.v. dégoudronnoir staat een afbeelding die verdacht veel op een notenkraker gelijkt.
Wasklopper (m.)
Vroeger gebeurde het eigenlijke wassen nadat het wasgoed gekookt was. De loog en het reeds opgeloste vuil, evenals de laatste vlekken moesten met zeep verwijderd worden. Dit gebeurde met de hand alleen, op een wasbord of met een wasklopper (ca. 30 bij 10 cm). Dat laatste is een houten spaanvormige klopper - te onderscheiden van de kurkenklopper en de strijkklopper - waarmee op de was geklopt werd, die men op een steen of plank legde. [MOT]
Wasroerder (m.)
Een wasroerder is een stok of spatelvormig houten handwerktuig (ca. 65-90 cm lang) waarmee men het wasgoed in de ketel roerde. Het blad is langwerpig (ca. 20-30 cm lang; ca. 6-11 cm breed) en de lengte bedraagt ongeveer 1/3 van de lengte van de steel. [MOT]
Wassnijwieltje (o.)
Deze nieuwe werktuigfiche is in opbouw. Dit handwerktuig gelijkt sterk op andere snijwieltjes zoals het behangsnijwieltje en het pizzawieltje. [MOT]
Wasstamper (m.)
Vroeger gebeurde het eigenlijke wassen nadat het wasgoed gekookt was. Dat gebeurde eerst met de hand, op een wasbord of met een wasklopper. Later verscheen de wasstamper, waarmee men al staande en zonder de handen in het water te steken, het wasgoed kon stampen of stuiken, d.i. door stoten schoonmaken. De eerste exemplaren waren van hout, veelal bestaande uit een lange T-steel (ca. 50-90 cm) met onderaan een cirkelvormig gedeelte met een reeks pootjes eronder, waarmee men het wasgoed ook roerde, door het werktuig heen en weer te draaien (zie wasroerder). De latere, metalen exemplaren bestaan uit een ijzeren of koperen dubbele stolp met gaten. De buitenstolp zit aan de steel vast, de binnenste beweegt door middel van een veer. Dankzij de gaten, en eventueel een kogel, ontstaat er telkens een zuigende beweging. [MOT]
Wastang (v.)
Met een wastang kon men veilig hete was uit de wasketel nemen.  Ze was meestal van (beuken)hout omdat dit geen vlekken maakt, licht en goedkoop is. De metalen onderdelen zoals draaispil of veer waren vaak van koper, omdat de tang zeker niet mocht roesten. Er bestaan echter ook wastangen van ijzer en rubber of van plastic. [MOT]
Waterpomptang (v.)
Met een waterpomptang draait men koppelingen aan of los. De bek is recht of holrond en binnenin getand om een betere grip te hebben. In één van de armen is een getande gleuf waarin de draaispil kan bewegen. Men kan zo de opening van de bek verstellen zonder een schroef los te maken. Afhankelijk van het model heeft men een zestal standen met telkens een andere breedte. De loodgieter gebruikt ook gelijkaardige tangen als de pijptang, de fitterstang of de pijp- en fitterstang. [MOT]
Watersleutel (m.)
Heel grote (ca. 1 m) geheel metalen dopsleutel met vast T-vormig uiteinde waarmee het werktuig gedraaid wordt. Een arm van de T is wigvormig gesmeed. Er bestaat ook een model met een gaffelvormig werkend deel. (zie foto van BRoys) De watersleutel dient om de hoofdkraan van een huis, die zich in de grond bevindt, open of toe te draaien. Met het wigvormig uiteinde verwijdert de waterfitter het gietijzeren deksel boven de kraan. Zie ook dopsleutel voor spoorschroeven. [MOT]
Werfknipmes (o.)
Het werfknipmes is een zakmes voorzien van hulpmiddelen om op een bouwwerf te werken. Men herkent het aan de klinksleutel, al dan niet in combinatie met een vierkante of stervormige holte, waarmee men een deur kan openen zonder kruk op het slot. Wanneer bij werkzaamheden tijdelijk een vierkante staaf in het gat voor de deurklink steekt, klemt men de holte rond deze staaf om de deur te openen. [MOT]